Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HAGGAI. I. 333

5, Deze Prophetifche redevoering had een zeer gewenscht uitwerkfel, Kap. J: 12— //: I.

12. Doe hoorde Zerubbabel de fone Sealthiëls, ende Jofua de fone Jozadaks, de Hoogepriefter, ende al het overblijffel des volcks, het welk uit Babel, in hun Vaderland was wedergekeerd, nae de ftemme des HEEREN hares Godts, ende nae de woorden des Propheten Haggai, gelijck als hem de HEERE hare Godt gefonden en geboden hadde, uit zijnen naem te fpreken , ende het volck vreefde voor het vertoornde aengefichte des HEEREN, die zulke kennelyke blijken van zijn rechtmatig ongenoegen, over het verwaerlofen van den Tempelbouw, gegeven had.

13. Doe fprack Haggai de bode des HEEREN in de boodfchap , of in het gezantfchap des HEEREN, die hem misfchien eenen nieuwen last gegeven had, tot den ontroerden volcke, feggende: Ick ben met ulieden, om u 'te zegenen, wanneer gy mijne ftem zult gehoorzamen, fpreeckt de HEERE.

14. Ende de HEERE verweckte den geeft Zerubbabels des foons Sealthiëls, des Vorits van Juda , ende den geeft Jofua des foons Jozadaks , des Hoogenpriefters, ende den geeft van't gantfche overblijffel des volcks, door hun allen nieuwen yver, tot den Tempelbouw, in te boezemen,ende fy quamen ende maeckten, dat is zy fchikten zich, en begonden te maken het werck in het huys des HEEREN der heyrfcharen hares Godts: Van nu af zetten zy den afgebroken Tempelbouw met lust en yver .voort.

XVII. DEEL.

Sluiten