Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HANGNESTJE.

[taarten geplaatst; maakende zyn Ed. drie-en-dertig- i fte foort uit. In 't Latyn word het genaamt Parus ni- '. Mm fuspendens; in 't Italiaansch Pendolino; in 't En- ( eelsch thé Mountain Tite; in 't Fransch Remiz; in 't Poolsch Remez; in 't Rusfisch Remesfof. MotanllaCa- i pite ferrugineo, mactila nigra Oculari, Remigibus Retlri- 1 cibusque fufcis margine utroque ferrugineis. Linn. Syst. i Nat X. Lanius minimus. Edw. Av. 5S- T. 55- Parus mon- l tanus. Alb Av. III. p. 53- T. 59- Parus minimus Remiz. 1 Titiüs. Lipf 1755- Disfertat. Parus Lithuanicus nidum : fuspendens. Klein Av. 86. Peridulinus. A:t. Bonon. T. II. \ p 57. T. 7. Remiz.• Rhacztnsk. Po/o/z. i. p. 294. 1 Het zeldzaamfte, 'twelk, in de Natuurlyke Hifto- ( rie van deeze Vogeltjes, voorkomt, is de verregaan- i de kunst in 't famenftellen van derzelver nest ge- 1 bruikt. Zy bezigen daar toe het zagte dons 't welk < aan de Wilge-Boomen en de Populieren groeit, en 1 andere donsachtige zelvftandigheden uit het groeijend ryk; zy weeten met hun Bek deeze draadachtige ftoffe s te verwerken, en 'er een dik vast weefzel, bykans > gelyk een laken, van te vormen; van buiten verfter- 1 ken zy 't zelve met vezeltjes en haairworteltjes, die < tot in het weefzel doorgaan, en eenigermaate het tim- j merhout van het nest uitmaaken; van binnen voorzien zy het met die zelvde zagte ftoffe, onbewerkt, ten einde de jongen zagt liggen, en, om hun warmte te bezorgen, fluiten zy het van boven digt; zy doen , nog meer, zy hangen het aan een draad van hennip of ander fterk gewas, aan een vorkswys famengroeijingvan een dun beweegbaar takje, zich uitftrekkende over het water, ten einde zy zagt gewiegd worden door de buigzaamheid van het takje ; ook vinden zy, meest van water-infecten leevende , daar overvlo'ed van voedzel; deeze plaatzing dient teffens tot beveiliging tegen Ratten, Haagedisten, Slangen en andere vyanden uit het kruipende gedacht altoos de gevaarlykfte. En, 't gene ten bewyze fchynt te dienen , dat deeze oogmerken aan de Vogeltjes niet alleen' bepaald ingeboezemd zyn , is , dat zy uit den aart flim zyn, en wel zo flim, dat ze, volgens bericht der Heeren Monti en Titiüs, nooit op de gewoone wyze zich laaten vangen; fomtyds worden ze in 'tnest verrast, als de zon onder is, of op een nevelachtigen en ongeftuimen dag. Dit zelvde heeft men opgemerkt ten aanzien van de Vogels in de Nieuwe Werelt, de Diknekken in Abysfinie, en andere Vogels, die desgelyks hunne nesten aan Boomtakken hangen.

Het Nest van 't Europisch Hangnestj'e is van geene bepaalde gedaante: nu eens gelykt het naar eenen zak, dan eens naar een geflooten beurs, dan weder na een platte zakpyp, enz. De ingang is aan de zyde, bykans altoos na den waterkant gekeerd, nu eens wat hooger, dan eens wat laager; het is eene kleine bykans ronde opening, van een en een half duim over kruis, en daar en boven; de rand verheft zich buitenwaards met een meer of min uitfteekend omboordzei, fomtyds geheel zonder "t zelve. Het Wyfje legt vier of vyf Eytjes: hier door zyn de Europifche Hangnestjes zeer onderfcheiden van de algemeene vruchtbaarheid der Meezen, van welk geflacht zy anders het, voorkomen, den Bek. het Geluid, en de voornaamfte Eigenfchappen hebben. Deeze Eytjes zyn fr.eeuwwit, zeer dun van fchaal ,en bykans doorzichtbaar. De Europifche Hangnestjes broeden door-

HANGNESTJE. 2797

;aans twee maaien 's jaars, de eerfte keer in April of Vlay, de tweede in Augustus; 't is zeer twyffelachig of zy het driemaal doen.

Men ziet de Nestjes deezer Vogeltjes in de moeasfen rondsom Bologne, in die van Toscaanen , by iet meir Trazymene; en zy zyn volkomen even eens ■ervaardigd ais die in Lithauwe , Volnie , Poolen en duitschland; de eenvoudige landlieden hebben 'er een lygeloovigen eerbied, voor ; by elke hut ziet men .an den ingang een deezer Nestjes hangen; de ei;enaars zien ze aan als gefchikt om den blixem af e weeren, en houden den kleinen kunftenaar voor :en heiligen Vogel. Men zou, dit ziende, bykans n verzoeking komen om de Natuur te befchuldigen, lat zy niet fchaarfer geweest hebbe met haare wonleren; dewyl ieder wonder, om zo te fpreeken, ten' non van nieuwe dwaaüngen ftrekt.

Het geflacht der Meezen treft men ook aan in Buhene, Silefe, Ukraine, Rusland, Siberië, over al , met :én woord, waar de boomen en planten groeijen,die le donsachtige ftoffe tot het vervaardigen der Nesten )pleveren. Volgens Gmelin, zyn ze zeldzaam in Si. mrie, en ömftreeks Bologne moeten ze niet ryklyk valen: dewyl Aldrovandus ze niet kent. Ondertus"chen houd de Heer Titius Italië voor het echte valerland, van waar zy door Venetië, Charintie en Oosenryk, in Bohème, Hongarie, Pooien, en andere nog roordlyker gewesten, gekomen zyn. De Heer Coxe ?eeft ons in zyne Befchouwing der Maatfchappy en Zeeien van Poolen, Rusland, Zweeden en Deentmarken, I. Deel, blf~!3, de volgende befchryving van dit Vogeltje en van deszelvs kunftig hangend Nestje, dat zyn Ed. zegt, niet zeldzaam in Lithauwen word gevonden , en aldaar Remitz genaamd. „ De Kop is „ bleekblaauw, aschkleurig, het voorfte gedeelte van „ den Hals en Borst net rood geverfd; de Vleugels „ zyn zwart; de Rug,en 't overig gedeelte des Lyfs, „ geelachtig roestkleurig ; .de Vleugelpennen zyn „ aschverwig , aan de buitenkant wit; de Staart is „ roestkleurig. Het Mannetje word van het Wyfje

, onderfcheiden, door een paar zwarte Knevels.- ■

r, Het Nest deezer Vogeltjes heeft de gedaante van „ een lange beurs, zy ftellen het toe met eene ver„ wonderlyke kunst; veertjes, dons en dunne vezelt,, jes zeer vast in elkander werkende, en den binnen„ kant alleen met dons voerende , om aan 't jong „ broeizel een gefchikt en warm verblyf te geeven. „ De ingang is op zyde, klein en rond , de rand „ van den zelven is fterkcr gewerkt dan al het overi„ ge. Dit Vogeltje , bezorgd voor de beveiliging ,, van zyne Eyertjes of Jongen; tegen befchaadigend „ gedierte, hangt het kunftig' bewerkt Nest aan het „ uiteinde der buigzaame willige takken, of van ee„ nige anderen Boom, over het water. Strydig met „ de ryklykheid van Eyeren, die de Meezen in 't al„ gemeen leggen, vindt men in 't Nest van de Remitz „ 'er flegts vier of vyf: mooglyk heeft de Voorzie,, nigheid deeze fchaarschheid van Eyeren in dit Vo„ geitje beftemd; dewyl door het zonderling inftinct:, „ omtrent het plaatzen der Nesten daar aan gefchon,, 'ken, de Jongen meer beveiligd zyn voor vernie„ ling, dan die van andere veel vrugtbaarder foor,, ten."

Overal, of bykans overal, onthouden zy zich in Ttt a wa-

Sluiten