Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L CORINTHEN. I. 31?

g denen? wat hebben zy , die als wijzen geroemd Worden, uitgericht, in het verftand der menfchen te verlich-

" ten ', en in hunne harten te verbeteren? En heeft God de zogenaemde wijsheid dezer waereld niet dwaes gemaekt, en,

'l door de ondervinding, allerduidelykst doen blyken, dat

"„ die gewaende wijsheid, in de daed, niet anders zy, daa enkele dwaesheid."

— —. Een ander bewijs ontleend de Apostel, uit de ondervinding, vs. 21- 31/. Eerst ten aenzien van het middel der zaligheid, vs.21- 25]. Dit middel vloeit voort, uit Gods ellerbetamelykst

welbehagen, vs. 21. ■ff.' De Euangeliepredikers moeten, volgens dit Goddelyk welbehagen, handelen , vs. 22-25. f. De menfchen begeerden wel een ander middel, vs. 22. \\. Maer,naer deze begeerte der menfchen, mogten zich de Euangeliepredikers niet fchikken, vs. 23, 24. 41 \. Om zeer gewichtige redenen, vs. 25.

2t. (v) Want j liever trouwens, naedemael ïn de wijf heyt Godts de werelt Godt niet en heeft gekent door de wijf heyt, welke zy waende te bezitten, fo heeft het Gode behaegt door de dwaefheyt der predikinge faligh te maken die gelooven :

De waereld, dat is, het menschdom, heeft door de ingebeelde] wijsheid, welke zy waende te bezitten, God niet gekent, in de wijsheid Gods, dat is, in zijne Goddelyke wijsheid , welke Hy , in het fcheppen en beftuuren van het Geheelal, allerduidelykst tentoon fpreidt. De Heidenen, die zich uitgaven voor wijzen, waren dwaes geworden, en hadden hunne Godsdienftige hulde, aen nietige fchepfelen, bewezen, vergel. Rom. I: 22, 23. De fchrivtgeleerden en wijzen, onder de Joden, waren mede dwaes geworden, en hadden den fleutel der kennis verworpen, zich verbeelden*

O) M*tth. iï! 15. Luc. io; at. XXII. DEEL.

Sluiten