is toegevoegd aan uw favorieten.

De bijbel, door beknopte uitbreidingen, en ophelderende aenmerkingen, verklaerd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

E P H E S E N. L sör

De Apostel fpreekt van een voornemen des genen, die alle dingen werkt, naer den raed van zijnen wil; van de zulkên , die naer dat voornemen, te voren verordineerd waren, en deze merkt hy aen, als deelgenoten van de gemelde ervenis. — Het hier bedoelde voornemen is het eeuwig, vrymachtig, en onveranderlyk befluit van God den Vader, het welk vervolgens de raed, de wijze bepaling van zijnen wil genaemd wordt. Door deze uitdrukkingen , wordt het vrymachtige en het hoogst wijze van dit befluit aengewezen. — Dit vrymachtig en hoogwijs befluit, is de regel en het richtfnoer van alle Gods werken, in den tijd. Dit wil de Apostel te kennen geven , wanneer hy zegt : het voornemen des genen, die'alle dingen werkt, naer den raed van zijnen wil. -— Naer dat voornemen waren de gelovigen, beide uit Joden en Heidenen, te voren verordineerd, beftemd en voorgefchikt, tot de deelgenoten der heilgoederen van christus. — Deze waren deelgenoten van de gemelde ervenis. Wy leren 'er uit, dat die ervenis moet aengemerkt worden, als een gevolg van de voorverördinering , als een goed , tot het deelgenootfchap van het welk zy, zonder eenig opzicht tot perfoneele hoedanigheden, vrymachtig beftemd waren. In dit alles bedoelde God de Vader een hoogwichtig einde, namelyk:

12. Op dat wy fouden zijn tot prijs fijner heerlickheyt , en zijne volmaektheden, in den weg der verzoening , zo kennelyk geopenbaerd, in tijd en eeuwigheid , zouden prijzen en verheerlyken. De deelgenoten van die heilgoederen , zijn wy gelovigen uit de Joden , die eerfë in Chrifto gehoopt hebben.

Wanneer de Apostel zegt: die wy eerst, (of liever te ^oren in of op) christus gehoopt hebben, bedoelt hy, buiten allen twijfel, de Christenen , die Joden van oorfprong waren. Dit blijkt allerduidelykst, uit de tegenftelling vs. 13. gy lieden, dat is, de Ephefifche Christenen, die meerendeels Heidenen van natuure waren. — De gelovigen uit de Joden, hadden eerst of te voren op christus. gehoopt. Dit kan men tweezins opvatten, of voor zo ver zy behoorden , tot dat volk, het welk, reeds onder de oude huishouding, wanneer God de Heidenen liet wandelen in hunne wegen, volge.i^s

v-» ^VT R 3