is toegevoegd aan uw favorieten.

De bijbel, door beknopte uitbreidingen, en ophelderende aenmerkingen, verklaerd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEVITICÜS XVII. 199

fproken worde, tot een gemeen gebruik en tot gewocn voedfel, dan tot het doen van offeranden ? fommigen begrijpen het op de eerfte wys, zodat de Ifraëliten niets zouden hebben mogen flagten , en tot hunne fpijs gebruiken, voor dat zy het aen de deur van den Tabernakel gebracht, en Gode daervan een gedeelte geofferd hadden. — Dan dit kan , onzer erachtens, de meening niet zijn van deze wet: want, toen Ifraël in Canaan gevestigd was, kon deze wet niet onderhouden worden , daer het grootfte gedeelte des volks zeer ver verwijderd was van die plaets 5 alwaer het Heiligdom gevestigd werd : En uit de natuur van dit gebod , gelijk ook uit vs. 7 b blijkt het duidelyk, dat deze wet van eene altoosduurende verplichting ware, en eerst in nadruk moest werken , wanneer Ifraël in Canaan woonen zoude. Voeg 'er by, dat 'er vs. 5 van Jlagt-offeren gefpro. ken werdt, gelijk ook vs. 8 van brand-offnen. Om deze redenen houden wy het daervoor , dat de hier voorgeftelde wet alleen betrekking hebbe, tot het flagten van zulke dieren , welke tot den offerdienst gefchikt waren. Het

oogmerk van dit bevel ftrekte derbalven daertoe, om lfraëls Godsdienst alleen aen den Tabernakel , en den altaer , dien de heer onder dit volk gefticht had , vasttemaken , ten einde daerdoor den plechtigen Godsdienst zuiver te bewaren, en de afgoderye voortekomen , welke anders ligtelyk zoude kunnen inkruipen.

Ondertusfchen was God zelf zoo niet aen deze wet gebonden , of hy konde, wanneer het hem behaegde , aen zijne Propheten en dienaren vryheid geven , om op andere plaetfen te offeren , gelijk zoo Gideon en Elias geofferd hebben, om de afgodendienaers te befchamen, Richt. 6: 26. 1 Reg. 18: 32. zoo hebben ook Manoah , Samuel, en David, op andere plaetfen, geofferd; maer dit waren buitenge • woone gevallen, welke eene uitzondering maekten op den algemeenen regel.

4. Een iegelyk, wil de Wetgever zeggen, die eenen os, een lam of geit , tot eene offerande flagten , ende defelve aen de deure van de Tente der t'famenkomfte niet brengen en fal, om een offerhande den

III. deel. N 4