Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zo6 LEVITICÜS XVIII.

het XVIII. kapittel.

Nadat de heer eene algemeene gehoorzaamheid aan alle zijne geboden gevorderd had vs. i ■ 5. verbiedt hy het huwelyk met naestbejlaenden vs. 6-18. gelijk alle andere onreinigheden vs. 19-23, het geen door bedreigingen bekrachtigd wordt vs. 24-30.

1. "Ï7 Oorder , niet lang na het voorfcbrijven van de

voorheen gemelde wetten, fprack de HEERE weder tot Mofe, feggende:

2. Spreeckt tot de kinderen Ifraè'ls uit mijnen naem, ende fegt tot de oudften en hoofden van hen: Ick ben de HEERE, de Jehovah, de eenige en ware God, de oneindige Schepper en Beftuurder van het Geheelal , uwe Godt, die u, met uitfiuiting van alle andere bewooneren der aerdbodems, tot het volk van mijn byzonder eigendom heb aengenomen, en aen wiens dienst gy op het fterkst verbonden zijt.

Deze woorden waren zeer gefchikt , om den Israëliten hunne verplichting tot gehoorzaemheid te herinneren. Zy worden in dit Kap. zesmael tn in het vo'gende 1 gde nog meermalen herhae'd, omdat de Wetgever nu zulke dingen verbieden zal, welke by de Heidenen zeer gemeen waren, en voor geoorloofd gehouden werden, en tegen welke de Israëliten niet genoeg konden gewaèrfchouwd worden.

3. Gy en fult niet doen nae de wercken, noch leven nae de gewoonten des Egyptifchen lants, daer in gy gewoont hebt: nochte nae de wercken des lants Canaan, daer henen ick u brenge, en fult gy niet doen, ende en fult in hare infettingen niet wandelen noch hunne ontuchtige zeden navolgen.

Alle de Heidenen verliepen zich in die grouwelen van ontucht en bloedfchande, welke in dit Kap. verboden worden , op

eene

Sluiten