Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING. vn

Hem niet kent; en teffens, als den getrouwen Befchermer zijner dienaers, den Vervuiler zijner beloften, het waerdig voorwerp van vertrouwen, gehoorzaemheid, en liefde ; het moest hen doen bekennen, dat Abraham Ifaac en Jacob niet te vergeefs zulk een groot vertrouwen in Hem gefield hadden, dat elk, die Hem ten vriend heeft, waerlyk beveiligd en gelukkig is; dat is met één woord, het moest hen doen geloven in dezen hunnen God.

Wy kunnen niet nalaten, hier een plaets interuimen, voor de volgende bondige opmerkingen van den Zurichfchen Leeraer, J. J. H e s s, Verhandeling over Gods Koningrijk I Deel. bladz. 175.

„ Ondertusfchen komen zy, ftaende dezen verbazenden aenwas, (in Egypten) in omftandigheden , die eene tusfchenkomst der Godheid , ten hunnen voordeele, zoo onöntbeerlyk maken, dat zy , zonder dezelve , onaengezien hunne groote menigte , in Mitsraïm (dat is Egypten) moeiten te gronde gaen. Laet ons, om de wijsheid der wegen , welke Jehova met dit volk inflaet, op te merken, het volgende overweegen.

„ Jehova had beloofd, de nakomelingen van zijnen geliefden Abraham, als zijn uitverkooren volk, af te zonderen, en hun Befchermgod te zijn. 't Viel Abraham niet zwaer, zijne gevoelens, aengaende deze Godheid, zijnen zoon Ifaak in te boezemen. Ook had Ifaak in Jacob eenen zoon, die, vatbaer

II. deel. [A 4]

Sluiten