is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4770

LIEVERLE.

en dichterlvk vuur te bezitten. Buchananus I* ta fommige van zyne Lierdichten zeer fraai en naar den fmaak der Ouden.

Onder de Franfchen hebben de Oden van Jean Baptiste Rousseau, eenen grooten en rechtmaatigen roem verworven: zy bevatten groote fchoonheden, zo wel van gedachten ais van uitdrukking. Zy zyn in eenen leevendigen trant, zonder nogthands rhapfodisch te zyn, en moeten onder de beste voort, brengzels der Franfche taal gerekend worden.

In 't engelsch hebben wy eenige Lierdichten van groote verdienfte. Dryden's, Ode op de Heilige C/ecilïa is bekend. Gray munt in fommige van zyne Oden uit in tederheid en verhevenheid; en in de Mengeldichten van Dodlens zal men eenige zeer fraaije Lierdichten aantreffen. Doch wat de zogenaamde Pindarifche Oden betreft, deeze zyn voor het grootfte gedeelte zo weinig famenhangend, dat zy zelden kunnen verftaan worden. Cowley, welke al. tyd hard is, is in zyne Pindarifche gedichten dubbeld hard. In zyne Anacreontifche Oden is hy beter gedaagd. Deeze zyn zoet en fraai, en, om de waar» heid te zeggen, in haare foort de volkomenfte van alle ftukken, welke Cowley gedicht heeft.

LIESCHKRUID, zie ALANT n. 12.

LIEVERLE-is een goed nederduitsch woord, dat, fchoon weinig meer in zwang zynde, egter derzelver beteekenis uit het gebruik bekend is, als ook onder anderen uit deeze woorden van T. Greenwood in zyne Boeren-Pinxtervrengd bl. 6.

Ik wreef myn oo!?eii, en ontwaakt Ben ik van lieverU ten leger afgeraakt.

dat is ailengsiens, zachtjens aan, van langzaamer hand. Niemant heeft zich zoveel wy weeten, over dit woord moeite gegeeven, een ieder houdt nogthands deszelvs oirfprong duister te zyn, daar het zich duidelyk en klaar vertoont, als men het woord maar wat naauwkeurig befchouwt. De Iaatfte fillaab doet ons denken om lid, ouwlinks leb/ kat/ zie Kiliaan en Huydecoper, of liever om Itöe/ gradus gresfus. Waar van behalven Kiliaan ziet ten Katen II. Deel, bl. 277. Wat de voorfte fillaaben van dit woord aangaat, deeze fchynen haare onverftaanbaarheid fchuldig te zyn aan eene bedorvene man ter van fpreeken , volgens welke men met den tyd lieverle in plaats van le voor le, en dit wederom in plaats van lede voor lede heeft beginnen te fpreeken en daar na te fchryven. Dus zoude de beteekenis, die wy 'er nu gewoon zyn aan te geeven, met den oirfprong overéénkomen, het zy men lib/ ïiöe membrum, of leöc gresfus gradus verkiezen. ?£eÖc bod: fcöc/ en hier uit verkort Itóbtrfé/ zal dan'Immers zo" veel zeggen, als trap voor trap, voetje voor voetje, welke beteekenis het gebruik ook aan dit woord gegeeven heeft. Hoe gemaklyk nu deeze verkorting, en uit de verkorting de onverftaanbaarheid gefprooten zy, zal ieder ligt bevroeden.

LIEVE VROUWE GRAS, zie ZORGHZAAD

LIEVE VROUWE HAND, zie STANDELKRUID n. 25.

LIEVE VROUWE KRUID, zie TOUWDRUIF

"'LIEVE VROUWE TRAANEN, zie TRAANGRAS.

. r

LIGHAAMLOOZEN. LIGHAAMSBEWEEGING;

LIGGENDE GANSERIK, zie GANSERIK n. 10: LIGHAAMLOOZEN zyn Geesten zegt de Heer

Huydecoper. —— Daar beftaat immers niets, of het heeft een lighaam; uitgezonderd alleen dat onde* den naam van Geest voorkomt.

En, ö Acbilles, z'is gepast naer uwen ftaet

En grootheid, gy verflryt den poe! der licliaeinloosen.

Vondel Herfchepp. van OvU. XII. B. ys. 792."

Door deeze woorden van den Dichter moet men evenwel zulke Geesten verftaan, die te vooren een lighaam gehad hebben; te weeten, die der geftorvenen; met nadruk genoemd lighaamloozcnin welken naam de ontblooting van het lighaam opgsflooten ligt, en bedoeld wordt. Deezen poel der lighaamloozen noemt Vondel in het IV. Boek, vs. 692. 't lichaemloos gewest, ook lichaamloos gewoel B. X. vs. 20. Dit ontmoet men ook by laatere Schryvers, als by voorbeeld.

De trouwe Thezeus en Peiiïhous bezoeken

Den duisteren jammerpoel. Hun vrjentfohap wandelt hier door duizent naare vloeken.

Bj 't 'lichaamloos gewoel.

Poot Geil. bl. 357.

LIGHAAMSBEWEEGING. Veelen ziende

noodzaaklykheid waar in zich de mensch bevind, om door arbeid zyn brood te winnen, voor een vloek aan. Wat hier van ook zyn moge, het is baarblyklyk uit het maakzel des lighaams, dat de beweeging niet min noodzaaklyk is, tot bewaaring der gezondheid, dan het voedzel. Menfchen wier armoede hun dringt, om, tot verkryging van dagelyks brood, te werken, zyn niet alleen de gezondtte, maar over 't algemeen gefprooken, degelukkigften onder 't menschdom. Noeste werkzaamheid, mist zelden van de zodaanigen voor gebrek en behoefte te beveiligen ; en de beweeging ftrekt hun ten geneesmiddel. Dit is byzonder het geval der zulken die van den Landbouw leeven. De fterke aanwas der inwoonderen innieuwlings opgerichte volkplantingen, en de doorgaande langleevenheid der akkerlieden , bewyzen overal, op het ontegenzegbaarfte, dat dit zo wel de gezondfte als de nuttigde bezigheid is.

De zugt tot werkzaamheid, vertoont zich zeer vroeg in den mensch. Zo fterk is dit beginzel, dat een gezonde jongen door vreeze voor de ftraffe zelv't, niet van lighaamsbeweeging kan te rug gehouden worden. Onze trek tot beweeging, ftrekt zeker ten fterker bewyze van derzelver nuttigheid. De Natuur heeft ons geene neiging te vergeefsch ingeplant. Het fchynt eene algemeene wet in de geheele dierlyke werelt, dat geen fchepzel, zonder lighaamsbeweeging, den onwaardeerbaaren fchat der gezondheid zal genieten. Elk fchepzel ook, de Mensch alleen uitgezonderd, neemt dezelve zo veel noodig is. Hy alleen, en zulke dieren als onder zyn beduur ftaan, verwyderen zich van deeze eerfte en oirfpronglyke Wet, en zy moeten daar voor lyden.

Werkloosheid mist nimmer in het voortbrengen eener algemeene verzwakking der vaste deelen, waar uit ontelbaare kwaaien ontftaan. Wanneer de vaste deelen verzwakt zyn, kan noch de fpys verteering, noch een der affcheidingen, naar behooren volbracht worden. En in dit geval moeten de jammerlykfte on. gemakken noodwendig ontftaan. Hoe kunnen menfchen ,