Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LINDEBOOM*. m

»>& lil. Mater. Mei. 262. Phil. Bot. 259. Royen Lwdbat. 477- Dalib. Paris 153- Tilia fcemina folio majore. Casp. Bauh. Pin. 42Ö. Tilia urbana. Gesn. /a&. III fi. Tilia montana maxima folio. C. Bauh. Pin. 426.

Tilia foemina Folio minore. Ib. ». Tilia Ulmijoho, Semine hexagono. Ray. Angl. Cat. Ed. III. p 473- «• Tüia foliis molliter kirfuiis, viminibus rubr is, Fruttu tetragono. Ibid L Tilia Bohemica, Foliis minoribus glabris, FruUu Mango tjc Till. Pif. 16S. T. 49. ƒ. 9-

Onder deezen tytel komen onze gewoone Linden voor, die in 't italiaansch den latynfche,n naam Tilia, in 't 'fpaansch den naam van Teia, in 't fransch dien van Tilleul of Tillot voeren. De hoogduitfche naam komt nagenoeg met den hollandfchen overeen, van welken ook de engelfche, Lime, Line of Linden-Tree, weinig verfchilt en de fweedfche is Linn, waar van waarfchynlyk de naam van den wydberoemden LikNiEUS zyne afkomst heeft. Immers zyn Ed. verhaalt, dat in zeker dorp van Smaland zich een zeer groote Lindeboom bevondt, naar welke de dorpelingen Tiliandri, dat is Lindemannen, en Linnai genoemd werden. ,. ,

Deeze Boomen fchynen inboorlingen te zyn der gemaatigde deelen.van Europa, komende zelvs in de zuidelyke deelen van Sweeden menigvuldig, voor. Zy kreunen zich niet aan een fterken vorst. Men vindt ze egter weinig in de bosfchen; want zy beminnen ■ een vetten, zv/aaren grond. Overal worden zy, zo wegens de fraaiheid van hunne Kroon, als de fchoon. heid van hunne blygroene Bladeren, en het aangeaaame lommer, datzy door de dichtheid van hun Loof

uitleveren, tot laanen, haagen en Deicnuttingeu vuoi de zon, in plantagiën, op buitenplaatzen, als ook in en om de fteden gebruikt. Ray merkt aan, dat hy in de voornaamfte fteden van Holland de graften of kanaaien, midden door dezelven heen loopende, wederzyds bezet gevonden hadt met Lindeboomen; doch ■ in Amjleldam, heeft, gelyk wy weeten, zulks geen

"^IrT'grootte en duurzaamheid des leevens worden deeze Boomen, hoe teder ook op 't oog, van weinigen in Europa overtroffen. Ray fchryft, dat hy in Engeland een Lindenboom hadt gemeeten, die op dertig voeten ftams zestien ellen of omtrent 48 voeten om. treks hadt, dat is ten minfte 16 voeten middellyn, zegt de Heer Adanson; overtreffende dus ver, den Geruchten Lindeboom van Neuftadt in 't Wirtemburgfcbe, welke omtrent 10 voeten middellyn hadt en eene Kroon van 400 voeten omtreks, breed zynde noord, en zuidwaards 145,. oost- en westwaards 119 Yoeten. Deezen Boom rekende men, niet veel minder dan vierhonderd jaaren oud te zyn.

In hoogte, evenwel, munten de Linden, wegens

• hunne uitgebreide Krocn , zo zeer niet uit. De St3m fchiet ongemeen recht op en de Takken fpreiden egaal, naar alle kanten; zo dat een Lindeboom zich dan eerst

• regt fraai vertoont, wanneer hy onbefnoeid en onbedwongen groeit. Hy levert dus een voorbeeld van een edelen aart onder deBoomen uit. DeSchors, in de jongheid-effen en aschgraauw-, wordt in *t vervolg graauw en barftig, bedekkende den Bast, Liber of phil'jra genaamd, die dun en zagt is, en zeer bekwaam om op te fchryven ; weshalve dezelve oudtyds en voor-de. uiivindinge. van, ons Papjer,.daar toe,, zo

Lindeboom.

4777

wel als het Hout gebezigd werdt. Munting verhaalt, een Boek daar van gezien te hebben, dat meer dan duizend jaaren oud was. Dergelyk Boek, eene nog niet uitgegeevene Verhandeling van Cicero bevattende, weidt in 'tjaar 1662, zomen verhaalt, te Brusfel, voor den Keizer gekogt, tegen agtduizend guldens. Wegens het Hout, dat wit van kleur is en zagt, wordt hy egter van de Franfchen geteld onde? hit Mort bois, dat men wel van Bois mort of dood Hou onderfcheiden moet, als betekenende alleenlyk Hout van eene bleeke of doodfche kleur. Door zyne zagtheid is het zeer gemakkelyk te bewerken, en, om dat het in 't geheel geen Kwasten, als ook byna geene Draaden heeft, zo laat het zich tot allerlei fyn fnywerk gebruiken. De Plaatfnyders in hout, de Beeldfnyders, inzonderheid die lofwerk maaken, bedienen 'er zich van, zo wel als de genen, die leder op een plank moeten fnyden, om dat het de fnee der werktuigen niet verftompt. Het is den worm weinig onderhevig. Men maakt 'er fpalken van, en wil, dat de beste kolen tot buskruid daar van gebrand worden.

Ten opzicht van de Bladen is eene aanmerkelyke verfcheidenheid onder deeze Boomen. De Bladen der Linden zyn in 't algemeen byna rond, in eene punt uitloopende, zeer dun en zagt, doch men vindt 'er met groote en met kleinere Bladenwelk verfchil wel voornaamelyk van de groeiplaats en grond afhangen mogt. Evenwel fpreekt C. Bauhinus van eenen Berg-Linde met zeer groote Bladen , daar hy geen - Vrugt aan waargenomen hadt, en die hy derhalven „voor den Mannetjes-Linde van Theophrastus hieldt, 'en van eene Wyfjes-Linde met kleine Bladen. Deeze Iaatfte komt in ae Graavfchappen Esfex en Lincoln, ih Engeland, menigvuldig in de bosfchen en aan de kanten der wegen voor, zo dat men ze Wilde Linde noemt en by de Boeren Bast, om dat zy van de fchors veelal hunne touwen maaken, gelyk in Sweedenook gefchiedt. Deeze Boom fchynt maar in wildheid van aart van de anderen en gewoone Linden te verfchillen,. die waar. fchynlyk uit deezen zyn voortgeteeld.

Deeze Iaatfte was basterd-Peperdraagende van Raï genoemd, wegens de Zaadhuisjes, die, gelyk men weet, in de Linden doorgaans rond zyn en wat groo. ter dan Peperkorrels. Naderhand nam die vermaarde Kruidkenner in Engelandeen Lindeboom waar, met 01men-Bladeren en met zeshoekige, alsook een andéren met vierhoekige Vrugten , die de Biaden zagtelyk ruig en de dunne Takjes rood hadt. Deeze beiden verfchillen aanmerkelyk van de gewoone Linden. Tilliü's beeldt, in zyne befchryving van deu Kruidtuin van Pifa, eene Boheemfche Linde af, die gladde Bladen'

heeft, en eene langwerpige, weaerzyus. gcipuu»,. zeer kleine geribde Vrugt.

IK neo ZO even vair ««Hmcaw vu tr jjjc* j.»»«>sy-

wag gemaakt. Deeze benaauungen zien aiieen oaar

cp, dat lommige LAiiaenzeer zeiuzaam, cu ndduwiyu.» i.m «ö„unr!o aoirtA iaar eens hloeiien en dan

evenwel volkomene Vrugten draagen, die men deswegen Mannetjes noemt; terwyl de Wyfjes gewoonlyk alle jaaren met Bloefem beladen zyn. Uit de Oxels .w Rtüflf.n komen lanpe bladerice Riemnies voort,

die uit het midden van haar middelrib een Steeltje uitgeeven, dat zich in verfcheide Bloemfteeltjes vardeelt, makende, dus een trosje van geele vyfbladige n ' Gis' B'lóemp.

Sluiten