Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MORGENGAAVEN. MORGENSTER.

aan woonhuizen, in tegenftelling van onbewoonde getimmerten en andere goederen. Ove-ysf. Gedenkfé. II. Deel. Cap. 6- §• 9. in net.

MOREGZAG. zie KWARTEL.

MORGEN GAAVEN, is de naam die men aan het gefchenk geeft, welke de Bruidegom gewoon is aan zyne jonge Vrouw te doen des daags na 't voltrokken huwelyk.

Het was oudtyds in Griekenland de gewoonte, om op den dag, wanneer de Bruid haar dekzel, waar mede zy zich haar hoofd en aangezicht tot dien tyd toe hadt bedekt gehouden, afleide, om van elk gezien te worden, zy van de huisgenooten en vrienden met eenige gefchenken vereerd wierdt; waar van denkelyk by ons de gewoonte overgebleeven is, van aan de Nieuwgetrouwden het een of ander huiscieraad te vereeren.

Ook was in Griekenland de Bruidegom gewoon des morgens, na het bruiloftsfeest, ten tyde wanneer de Bruid het gemelde hoofddekzel, of dekfluijer, ingevolge Rous Attifch. Oudheden, bl. 344. van rooden of inkarnaaten kleur, by.de Latynen genaamdFiammeum, afleidde, om van elk te kunnen gezien wórden, aan de Bruid, nu zyne vrouwe geworden, zekere gift te vereeren; om die reden by Philostratus nï(tct genaamd; als of men zeide, ontjluijering- of entdekking-giften; hoedaanige ook aan de Bruid gegeeven wierden door de nabeftaanden. Hier van nu fchynen afkomftig te zyn de giften, waar mede in de Nederlanden de Bruidegom gewoon is de Bruid, zo

ras dezelve zyn vrouw geworden is, te vereeren, van ouds genaamd Morgengaaven.

Waar tegen over ftond de Mdfdjct/ Mudlfthat/ of <t5miaalfrhat / benaamingen uit de oude taal der Saxen en Sicambren oirfpronkelyk, by Kiliaan verklaard door dos, arrha fponfalis, zo veei als huwelyksgoed, bruidfchat, zynde zekere gift van de zyde des Bruids of Vrouwe, aan den Man gefchonken tot haar onderhoud en het helpen draagen der huwelykslasten. Vooral hadden deeze giften plaats by de Romeinen, en niet alleen de Morgengaav, die overeenftemd met hunne donatio propter nuptias , anders genaamd dosviri, maar ook de Maalfchat, ingevolge de tytel in het Corpus Juris D. de Jure dotium. Ook wierd die gift voor zo eigenaartig aan het Huwelyk verbonden gehouden, dat alwaar geen huwelyksverbindte. nis aanwezig was, ook geen dos of Maalfchat konde plaats vinden; "zie L. 3. R 48. de Jur. dot. £?. Brisson de Form.

Men vindt ook zelvs in 't oude Frankifche of Allemannifche Provinciaale Recht niet alleen gewag gemaakt van SOTcraeitgauBe/ maar zelvs tegen de buitenfpoorigheid daar omtrent gepleegd, bepaalingen ge. maakt.

En fchynen deeze giften , of Morgengaaven aldus genaamd te zyn, om dat, hoewel ze voor het voltrekken van het huwelyk, wel bedongen, en in de huwelykfe voorwaarden fchriftelyk uitgedrukt werden, egter met geen recht kosten gevorderd, noch eerder uitgereikt wierden, dan na het voltrekken van het huwelyk en volgens ouder gewoonte, des morgens na den eerften dag van het huwelyk , wanneer de jong getrouwden by malkanderen gelegen hadden.

MORGENSTER in het latyn Echinops, is denaam

MORGENSTER. So$\

van een Planten-Geilacht, onder de Klasfe der Synge-

nefta of Samenteelige Kruiden gerangfehikt. De

Kenmerken zyn , éénbloemige Kelkjes met tweeflachtige Pypblommetjes, tot eenen ronden bol vergaard, die een borfteligen Stoel heeft en een gering Zaadpluis. Het bevat de vier volgende foorten.

1. Ruigbladige Morgerifler. Echinops Sphcerocephalus. Morgenfler, met kogelronde Koppen, en uitgehoekte ruigachtige Bladen. Echinops Capitulis globofs, Foliis finuatis pubescentibus. Linn. Syst. Nat.,XII. Gen. 999. Veg. XIII. p. 66\. Echinops Floribus capitatis, CalycU bus unifioris. Hort. Cliff 390. Hort. Upf. 248. Rot. Lugdbat. 144. N. 1. Gouan. Monfp. 420. Echinops major. ƒ. Bauh. Hist III p.69. Echinopus. Tournf. Injïe 463. Tab. 262. Ger. Prov. 175. Carduus Sphcerocepha. lus latifolius vulgaris. C. Bauh. Pin. 381. Carduus Sphcerocephalus. Don. Pempt. 722. Ritro feu Rutro Thee* phra.t. Lob. Ic.II. 8. Echinops. Hill. Tem 5. Tab. 55.

In Italiën, Switzerland, Oostenryk, alsook in de zuidelyke deelen van Frankryk, groeit in 't wilde deeze Distel, welken men, naar 't latynsch woord Sphcero. cephalus, in 't hoogduitsch ©pjjeertifct/ of ook SSicfcn» fnopf genoemd vindt. Het is een fraai Gewas, met groote Bladen, die van boven ruig, van_ onderen wollig grys zyn, ten halve vinswyze uitgehoekt, met Baardjes. De Takken, waar in zich de Steng verdeelt, hebben aan 't end zulke Koppen, als gezegd is, waar van de beroemde Tournefort een zeer fraaije Afbeelding geeft; vertoonende ook de Blommetjes , ieder in zyn eigen Kelkje vervat, uit welken die Koppen famengefteld zyn , en tevens het bekleedzei van het Zaad, dat een Kransje heeft van Borftelige puntjes. De Bloemen zyn doorgaans wit, doch men vindt 'er ook met blaauwe Meelknopjes. Hy groeit wel een elle hoog en fomtyds hooger; de Bladen zyn kleverig op 't gevoel en gedoomd.

2. Doornkoppiee Moreen/ler. Echinobs fhhwPiis. Mnr.

gcnfler, die de Koppen met lange uitfteekende Doorens heeft. Echinops Capitulis infperf.s Spinis longis. Linn. Mant. 119. Carduus Sphcerocephalus, Capitulis longis Spinis armato. C. Bauh. Fm 38.2. Carduus Sp harocephalus acutus. Don. Pempt. 722.

In Egypten en Arabiën zou de groeiplaats van deeze zyn, die van de voorgaande bovendien aanmerkelvk

door de tederheid van Gewas verfchilt. De Doorens zyn viermaal zo lang als de Blommetjes, en komen ieder van een uitgefchooten Kelkje; des zy ook, aan 't end fplytende, weder een Blommetje uitgeeven. De Bladen zyn ook wollig, maar de Steng is niet haairig.

3. Gladbladige Morgenfler. Echinops Ritro. Morgenflermet kogelronde Koppen, vindeelige Bladen, die van boven glad zyn. Echinops Capit. globofo, Foliis pinnatifidis fupra glabris-fpinofis. Ger. Prov. 175. Echinops Caule fubunifloro. Gouan. Monfp. 420, Linn. Hort. Upf. 248 Mill. DiB. T. 130. Gmel. Sib. II. p. 100. Carduus Sphxrocephalus coeruleus minor. C. Bauh. Pin. 381. Ritro Floribus coeruleis. Lob. Ic. II. p. 8. p. Echtnops Rc, Foliolis linearibus remotis. Gmel. Sib. II. p. 102. T. 46.

Niet alleen in de zuidelyke deelen van Europa, maar ook in Siberiën, komt deeze voor, waar van men aldaar eene verfcheidenheid vindt, door Gmelin afgebeeld, die de verdeelingen der Bladen zeer Ttt 3 fmal

Sluiten