is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OUDE JAAR-AVOND.

ki dit Jaar zo veel by ingefcbooten hebbe. Deeze is verheugt over de vermeerdering zyner weetenfchappen, daar die intusfchen den verlooren tyd beklaagt. Zo ongelyk gaat het in de werelt, en de menfchen hebben 't zich zeiven te wyten. Geene omdandigheid, door de Voorzienigheid onmiddelbaar uitgewerkt, is zodaanig, dat 'er den menfchen, dooreen bekwaam gedrag, niet iets goeds uit ontdaan zoude. "t Is wel waar, dat alle inrichtingen der werelt zo Biet gefield zyn, dat ze ons juist zulk een geluk zoude te weege brengen, als wy naar ons zwakke inzigt of verkeerde begeerlykheden ons zeiven toewenfchen :maar daarentegen zyn ook niet alle Inrichtingen der werelt van zulk eenen aart, dat ze ons den trap van wederwaardigheid noodwendig zouden moeten veroirzaaken, dien wy ons, door onze onbezonne handelwyze, dikwils op den hals gehaalt hebben. Onder, tusfchen biyven Gods fchikkingen pryslyk, en hy is in zyne regeerisge zo wel voor den eenen als voor den anderen aanbiddenswaardig. Het ontbreekt maar aan zulken, die het befluit des Ouden Jaars wysfelyk betrachten, die, uit de ondervinding van het voorgaande, de voorfchrifcen voor het aanflaande ontleenen, en ieder tydftip fticbtelyk en met voordeel befluiten.

Op, op derhalve, gy ballingen deezer aarde! Ziet te rug naar het Oude Jaar, en maakt uwe aandachtige betrachting op de volgende wyze:

O nietige tyd! hoe ras zyt gy vervloogen ? Gyhebt my langs ongebaande wegen weggevoert, en my nader aan myn graf gebracht! Hoe zyn myne lotgevallen zo verwisfeit? Hoe onbeflendig is de werelt? Hoe kort is de tyd? Hoe veel heb ik verwaarloost? Hoe onverdient heeft my dikwils de hemel gezegent? Hoe veele gevaaren ben ik te boven gekomen, en hoe veele ongelukken ben ik ontvloden? Aan dat ooriogggedruis heb ik de droefheid der werelt, en den vloek van onvrede en twist gezien. Die lyken, welke de dood van het ziekbed naar het kerkhof gefleept heeft, zyn my een afbeeldze! myner vergangkeiykheid. Iedereen maakt zyne rekening op, hoe zal ik met myne zedelyke rekening beflaan? Hoe veel ben ik God en mynen naasten fchuldig? Waar heb ik plichten verzuimt, waar heb ik aanwas in het goedeenin dedeugd gemaakt? Hoe heb ik den tyd bedeed, waar over kan ik my tegenwoordig verheugen? U, ó boogde Majefteit! komt de lof toe voor de ontvangen weldaaden. U moet ik roemen, dat gy my niet in de helft myner jaaren hebt weggenomen! Zie ik leef nog, en heb daar door tyd gekreegen, om het verwaarloosde te herdellen, het verdorvene te verbeteren , het vergeetene te vervullen, het verkeerde te veranderen, het goede aan te kweeken, en my daar in te oeffenent Vergeef, ó heilig Wezen ! de gemaakte fchuld, en geef den invloed uwer kracht tot waare beteringe! Sta my by in de lotgevallen der aandaande tyden! Vermeer, der uwen zegen. Beftier en regeer de omftardigheden der werelt ten algemeenen beste! En laat my de verborge voorvallen der toekomende tyden getroost afwagten !

Gelukkig hyl die aldus de tyden wel betracht, die de hemelfcbe Voorzienigheid in alledukken erkent, en ZEdi daas door ter deugd laat onderwyzen» aan dien ia het bedeed, de uuren, die hy. beleeft. heeft, te

OUDERDOM. 540I

overzien. Ieder te rug gelegd Jaar brengt by hem ïe's roe, om de keten der gefchiedenisfen en den f famenhang der G-oddelyke befliennge met meer lichts te befchouwen. Hy weet zich zo veel te beter naar «KïLï? fchikkeil> en *ich dien ten nutte te maaken» OUDE MANS DUIMEN , zie ALCYON1EN rfi 5-

OUDERDOM verdaat men het faatfte tydperk van s menfchen leeven door. De Rechtsgeleerden be» paaien de Ouderdom te zyn, eene verzwakking van lighaamskrachten, en eene vermindering van ziels» vermogens, veroirzaakt door het groot aantal van jaaren.

Alle volken der werelt, die ons zyn bekend geworden, denken dat men den Ouderdom moet eeren en hoogachten. De befchaafde Natiën zien een' mensen met afkeer aan, die zyne Ouders, of gryze hoofden in t algemeen kwalyk kan behandelen, en veelen van die genen, welken wy voor Barbaaren houden, heb. ben het gebrek van eerbied, jegens Ouders en Gryzaards zwaar gedrafr. Een zo algemeen aangenomen gevoelen moet toch ergens op gegrond zyn! Wanneer zekere waarheden maximen van alle volken ge> worden zyn, moeten zy eenen vroegen oirfprong, 20 wel als eenen zekeren grond gehadt hebben; en fchoon zelvs de volgende geflachten veele dingen zonder grond van de Voorouderen overgenomen hebben, er moet toch in 1 begin eene oirzaak daar van voor. handen geweest zyn.

De Ouderdom heeft zeer veel dat endraaglyk f Eigenzinnigheid en onverzetlykheid zyn de gewoone eigerfchappen van denzeiven. Een oud Man veran. dert niet ligtelyk zvne aangenomen gevoelens, enlaat het nieuwe nog zo goed en verdandig, en de bewyzen, dat hy in zyn gevoelen dwaalt, nog zo klaar zyn, hy houdt egter zyn flreng vast, en veracht al het nieuwe, blootelyk om dat bet nieuw is Hy ver. andert niet van een oud gebruik of handelwyze, ala te eigenzinnig zynde- om in zyne oude jaaren een eer iiig der jongere werelt te worden. Zyne eigenliefde is zeer groot; alles wat hy zegt, wil hy als orakeltaal aangemerkt hebben; hy praat van zich zeiven, van zyn kugchen en andere ongemakken; alles berispt hy, op alles wat hem niet gevalt, fchimpt hy; met zich zeiven alleen is hy ingenomen, en wil dat: het anderen ook zyn ten zynen opzichte.

Dit is het doorgaande karakter der oude liederr, enzo is het van den beginne, ten alle tyden en in alle eeuwen-geweest. Hoe zyn dan de menfchen op het denkbeeld gekomen, dateer en hoogachting den 0»> rferaWtoekome? De Ouderdom fchynt alles te wederfpreeken, dat anders by de menfchen voor eer enachtenswaardig erkend wordt. Men werpe my niec tegen dat 'er genoeglyke en beminnelyke oude lieden gevonden werden, die van veelen deezer gebreken, en van zulk eene trotsheid en eigenliefde vry, aangenaam in den omgang, leerryk in hunne gefprekkem zyn, en altoos in de werelt in gelyl.e fchreden voortgaan: zulke oude lieden worden'weinig gevonden,, en het getal der zodaanigen is ten alle tyden zo klein geweest, daï de overééndemming van alle volken, iw 't eerbieden en hoogachten van dea Ouderdom, on* mooglyk daar op kan gegrond zyn.

Onaangezisn dit, moeten, gelyk ik gezegd heb, P 3 gron-