Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RHUS.

RHUS. 5797

heeft. Hy hadt zich verfcheiden maaien met deszelvs fap beftreeken, takken daar afgefneeden ofafgebrooken, de fchors daar afgeftroopt en tusfchen de handen gewreeven; daaraan gerooken; de ftukken lang by zich gedraagen, en was niet te min van alle fchaadelyke werking bevryd gebleeven. Eenmaal, nog-, thands, moest hy ondervinden, dat de vergiftige eigenfchap van deezen Boom geen fprookje ware. Op eenen heeten zomerdag, wat bezweet zynde, fneedc hy een Rysje van den Boom af, en droeg het zelve omtrent een half uur in de hand, ruikende nu en dan eens daar aan. Op dien zelvden dag wierdt hy niets, en tegen den avond maar iets weinigs gewaar; doch den volgenden morgen ontwaakte hy door een fterke jeukt der oogenleden en rondom dezelven: zo dat hy 'er naauwlyks de handen af kon houden. Die jeukt ging wel over, toen hy de oogen een poos met yskoud water gewasfehen hadt, maar de oogleden waren, den gebeelen dag, zeer ftyf. Tegen den avond voelde hy nog een weinig jeukt, die den volgenden ochtend, by het ontwaaken, niet minder fterk was als 's daags te vooren. Hy gebruikte 'er het zeivde middel tegen: doch dit hieldt een gantfche week aan; de oogleden waren ftyf en de oogen rood. Toen verdween dit ongemak t'eenemaal. Van het Sap diestyds ook een menigte op zyn band geftreeken hebbende, kwamen 'er flegts kleine blaartjes op de huid, die zonder nadeel verdweenen. Hier uit blykt, dat de vergiftige hoedaanigheid van deezen Boom niet veel om 't lyf heeft.

Linnjeus hadt, op deeze foort, de Sitz of Sitzdju der Japoneezen aangehaald, doch de Heer ëllis aangetoond hebbende, dat die daar van verfchiliende is, Philof. TransaÜ. Vol. XLIX. Part. 2. p. 866, zo bericht zyn Ed. thands, dat men hem daar van moet uitfluiten. Dezelve, ook Urus-no-M genaamd, heeft, volgens de waarceemingen van Kjempfer, gevinde Ockernooten Bladen, en Trosfen van Vrugten, welke naar de Cicers gelyken: doch de Zaaden, die door de Jefuiten uit China aan de Koninglyke Sociëteit van Londen, voor Zaaden van den Vernisboom gezonden xvaren, brachten niets voort dan een wilde foort, Fafi-no-ki by de Japoneezen genaamd, waar van het Vernis in weinig achting was. Deezen ftelt Linn&us thar.ds voor, met den bynaam van Succedaner, en wil, dat men denzei ven van de Rhus Vemix, daar hy naby aan komt, onderfcheiden zal, niet alleen door de grootte der Bladen, maar ook door dien hy dezelven ftyfachtig, wederzyds glanzig, en zelden aan beide kanten gelyk heeft, zynde die van de Rhus Vemix donkergroen, welke ook de Vrugten van grootte ais een erwt heeft en wit van kleur; daar die van den Japanjchen Basterd Vernisboom van grootte als een Kers en niet wit zyn.

De manier, op welke men de Vernis, volgens Kbmpfer, inzamelt, is opmerkelyk. Men fnydt, zegt hy, den Bast op verfcheiden plaatzen van de Takken af, dan vloeid daar een lymerig vogt uit, het welk wel dra zwart wordt door de aandoening van de lucht. Dit vogt ontvangen zy in houten bakjes, die zy 'er onder zetten, en, indien 'er eenige vuiligheid onder vermengd mogt zyn , wringen zy het door een groven doek, hebbende het geen andere bereiding van nooden. Zy doen het in houten vaatjes, bedekTtt 3 kea

ftrooijen het Zaad, daar in vervat, alom. Zy zyn zuur en ftrekken ook voor de kinderen tot verfnapering, rood van kleur, en kunnen tot verwen van -ftoffen gebruikt worden. Deeze Besfen blyven an,ders, zegt hy, den geheelen winter aan de Boomen, .niet tegenftaande die al vroeg in de herfst hunne Bladeren, na dat dezelven eerst rood geworden zyn, laaten vallen. Zy worden 'er zelden hooger dan tusfchen de drie en vier ellen. In het doorfnyden bevondt hy den Stam gevuld met een overvloedig Merg, even als in de Vlierboomen, doch het zelve was week en bruin. Middelerwyl kwam uit denzelven, tusfchen den Bast en het Hout, een geel fap te voorfchyn. Op 't vuur gelegd, wilde het Hout. zeer wel branden.

5. Amerikaanfche Vergiftboom. Rhus Vemix. Sumack, met gevinde effenrandige Bladen, de Steeltjes onverdeeld en gelyk. Rhus Foliis pinnatis integerrimis, Petiolo integro cequall Linn. Syst. Nat. XII. Tom. II. Gen. 366. p- 217. Mat. Med. 151. Rhus Foliis pinnatis integerrimis. Hort. Cliff. 110. Hort. Upf. 68. Gron. Virg. 148. Royen Lugdbat. 2+4. Cold. Noveb. 64. Toxicodendron Foliis alatis, Fruüu rhomboide. Dill. Elth. 392. T. 292. ƒ. 377. Arbor Americana, &c, Pluk. Alm. p. 45. T. 145. ƒ■ i. Arbor venenata. Kalm, It.II p. 211. PoyfonWoodTree. Phil. Trans. N. 367. P- i4SDeeze foort is een Gewas, dat de Engelfchen in Noord-Amerika den Vergiftigen of Vergift-Houtboom heeten. Het is door Plukenetius de Amerikaanfche Boom, met gewiekte Bladen, die een vergiftig melkachtig Sap heeft, getyteld. Zie hier hoe dezelve befebreeven wordt..

,, De Vergiftboom groeit alleenlyk in moerasfen of „ laage natte gronden, Hy gelykt wel wat naar een „ laagen Esfchenboom, doch meer naar de Sumach, en wordt derhalven van fommigen Moeras-Sumach getyteld. Nooit wordt zyn Stam dikker dan een mans been, en de hoogte is op 't meeste ais die .„ van den Vlierboom, maar hy fpreidt zyne Takken ,, wyd uit, en maakt een boschje van Stammen uit „ den Wortel van een die afgehouwen is. Hy groeit „ fpoedig, doch is niet lang van duur. De binnen* „ zyde van het Hout is geel, en vol van een vogt „ zo lymerig als honig of terpesthyn. Het Hout „ zelv'heeft een fterken onaangenaamen reuk, maar ,, het fap ftinkt als een kreng. Het werkt zo wei ;„ door aanraaken en behandelen ais door de reuk. .„ Verfcheiden perfoonen zyn door het in de bos„ fchen af te haknen, of door het op 't vuur te leg•„ gen, tot een zeer hoogen trap vergiftigd gewor,„ den. De werking is naar de gefteldbeid der men„ fchen verfchiliende: op den eenen heeft het aan,, doening, op den anderen niet; fommigen maakt ,,, het eenige dagen blind; anderen doet het zelve .,, het lighaam zwellen; maar nooit heeft men iemant .,, daar door zien fterven. Men zegt dat het Hout ,„ zo koud als ys is, wanneer men 't aanraakt."

Deeze befchryving door eenen Engelschman, Dud« j,ey genaamd, nu ruim vyftig jaar geleeden overgezonden, is bevestigd door de waarneemingen van den Sweedfchen Heer Kalm, die zich in't jaar 1748 in ■Penfylvaniên bevondt, alwaar die Vergiftboom taamelyk gemeen was in de moerasfige landftreeken. Deeze Heer befpeurde, dar dezelve in een zeivde perfoon zser verfchiliende uitwerkingen naar de gefteldbeid

Sluiten