Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WINDE.

WINDE.

brek zelve zich bevindt in deeze of gene van deszelvs drie tydperken; het begin naamiyk, ftaat, of doorbraak.

Die van het eerfte tydperk, beftaan enkel in eene diepe en fcherpe Beenpyp, die door de warmte van het Lighaam al, door uiterlyke aanraaking niet, vermeerderd wordt, zonder eenige de minfte nevensgaande zwelling.

Die van het tweede tydperk, zyn eene gedeeltelyk harde, gedeeltelyk zagtere zwelling, ter plaatze voornaamlyk der Beenpyp; en het verminderen deezer in evenredigheid van het toeneemen der zwelling.

Tot die eindelyk van het Iaatfte tydperk, behooren de doorbraak des Gezwels met een of meer kleine Openingen, welke meestal veel Vogt uitwerpen, zonder het Gezwel zelve eenlgzints te doen verminderen, en zeer genegen zyn tot eene fponsachtige uitgroeijing van Vleesch; gelyk ook, eene ongelyke oppervlakte van het Been in den grond der verzweering, kenbaar fomwylen door het Gezigt, fomwylen alleenlyk, door het onderzoek met een Tent-Yzer.

De geneezing is fomwylen mooglyk, fomwylen onjnooglyk. Ze is altoos, meer een gewrogt der Natuur, dan van de Konst. Ds beste behandeling beftaat misfehien daar in, dat men de leevenskragten, die doorgaans in deeze Ziekte zwak zyn, zo veel mooglyk onderfteune, en zelvs opwakkere, door het gebruik van den Koortsbast; de Vogten verzagte, door eene gefchikte eetregel, en het toedienen der verdikte uitreksels van het Gnajac-Houp, en der Sar/afarille Wortel; en uitwendig in het eerfte tydperk, gebruik maake van verzagtende, in het tweede van deeze en eenigzints prikkelende, en in het derde van verfterkende, bedsrf.veerende, en balzemachtige hulpmiddelen.

WINDE in het latyn Convolvulus, is de naam van een zeer uitgebreid Pianten-Geflacht, onder de Klasfe der Pentandria of Vyfmannige Kruiden gerangfchikt. —— De Kenmerken zyn een klokvormige geplooide Bloem, met twee Stempels, en een tweehokkig Zaadhuisje, dat in ieder holligheid twee Zaadjes heeft. —Van dit Geflacht dat twee- en vyftig foorten bevat, hebben de eerfte vyf- en dertig een windende Steng.

I. Akker-Wmde. tonvolvulus Arvenjis. (Vinde, met .pylswys' voor en achter gefpittle Bladen en meest jjénbloemige Steeltjes. Convolvulus Foliis fagittatis utrin.

qui acuwnatis (yc. Ljnn. syst. ivat. Ali. uen. 214. p. 155. Veg. XIII. Gen. 215. p. 1Ó8. Hort. Clijfort. Roy. Lugdb. 427. N 1. Convolvulus minor Avenfis. C. Bauh. Pin. 294. Convolvulus minor purpurens. Lob. Ic. 619. Smilax Isevis minor. Dod. Pempt. 393. Edw. Seligm. VIL D. Pl. L p. 56-

Deeze groeit alom in Europa, en ook in onze Ne. derlanden, overvloedig op de akkers of Koornvelden, alwaar zy zich dikwils om de Halmen windt tot een elle en meer hoogte. Gewoonlyk, egter, kruipt zy langs den grond, gelyk op ruige wallen, met haare dunne Stengetjes, die bezet zyn met driepuntige Blaadjes. Somtyds komen dezelven wat fpttfer, fomtyds van achteren met de punten eenigzints krom en als ge-oord voor. Somtyds zyn ze ook breeder, fomtyds fmailer. De Bloempjes, van deeze Kleine Win4e, zyn of paarsachtig, of roozekkurig bont, en

fomtyds wit; gelyk men twee verfcheidenheden daar van, in *t Werk van Weinmann. afPf-hpoM m

kleuren voorgefteld vindt.

2. Haag-Winde. ConvolvulusSepium. Winde, metpylswyze Bladen, die van achteren geknot zyn, en vier. hoekige éénbloeroige Bloemfteeltjes. Convolvulus FoUis fagittatis poflice truncatis Rc. Linn. Hort. Clijfort Roy. Lugdb. 427. N. 2. Fl. Suec. 174. Dalib. Par 6<] Toubnf. Inft. Hall. Helv.482. Oed. £43,458. Gouan. Monfp. 93. Gort. Belg. 55. Rc, Convolvulus major allus. C. Bauh. Pin. 294. Smilax Isvis major. Dod. Pempt. 392. Smilax Itevis vel lenis major. Lob. Ic. 619.

Dit is de Groote Winde, met witte Bloemen, welke men niet dan in de haagen, in kreupelbosch en riet, aan de kanten van flooten, graften en moerasfen! aantreft, zynde een leelyk onkruid in de tuinen, hoven en boomgaarden, door haare fterk, onder den grond, voortkruipende Wortelen, wier ftukken t'elkens weder aangroeijen, en een nieuwe Plant maa. ken. Wegens haare hoedaanigheid, van zich al windende om alles wat haar voorkomt te flingeren, en de groote Bloemen tevens, noemt men ze Slinger-Roos. Deeze is het ook , waar van de naam van Winde zyne afkomst heeft, in *t latynfche woord Convolvulus begreepen. In *t engelsch noemt men ze Bindweed, in 't fransch Liferon of Camtanette. bv ons dikwils Klok.

jes-Winde, om haare klokswyze Bloem, die doorgaans wit is, doch fomtyds roozekleurig bont, en paarsclrkleurig voorkwam buiten Haarlem, in de haag van een boomgaard by 't Kraaijenest, volgens Commelyn.

't Gewas der gewoone Groote of Kiekjes-Winde beklimt de Boomen tot zes, tien voeten en meer hoogte. De Bladen zyn hartvormig en veel grooter, doch niet zo fpits als aan de voorgaande, van achteren geoord. De Bloem heeft een grooten tweebladigen rui. men en daar binnen een vyfbladigen Kelk, die klokvormig is; het Zaadhuisje driehokkig.

Hoewel men dit Kruid niet als een geneesmiddel gebruikt, bevat het doch een melkachtig fap, dat fcherp is en van eene purgeerende kragt. Verdint zynde, en tot een fcrupels veelheid ingenomen, werkt het als de Scammo?ieum, die volgt. Dit zal dé reden zyn, dat fommige Autheuren het Gewas tot da Smilax betrokken hebben.

3. Syrifche Winde. Convolvulus Scammonia. Winde,

met pyiswyze, van achteren geknotte Bladen, en

ronde meest driebloemige Bloemileelties. Convolvnivc

Foliis fagittatis poflice truncatis Rc. Roy. Lugdb. N. 3. Linn. Mat. Med 82. Convolvulus Syriactisf. Scammonea Syriaca. Moris. Hist. II. p. 12. S. 1. T. 3. f. 5. Mill. Diiï. T. 102. Scammonia Syriaca. C. Bauh. Pin. 294, Scammoneum Syriacum Antiochemm, Scammonia. Lob. Icon. 620.

Deeze, gemeenlyk Syrifche Winde genaamd, is het Gewas, dat de zo bekende Scammoneum uitlevert, die ons van Smyrna of Aleppo toegebracht wordt. Het groeit, naamelyk in verfcheide ftreeken van Klein A. ftèn, aan 't end der Middellandfche Zee.

't Gewas gelykt naar het voorgaande zeer, maar de Bladen zyn niet aan de kanten bruin: de Bloemfteelen twee-of driebloemig; langer, niet korter, dan da Bladen; 'c pmwindzel, of de buitenfte, is nier

Sluiten