Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER HONDEN. 35

het getroffen wild fpoedig inhaalen en met geweld omrukken. Echter moet men hen voor bijteude wilde zwijnen , zo veel mooglijk , trachten te verfchoonen , wijl zij door dezelve verfcheurd worden. Op dat ze te ligter zouden kunnen loopen, is men gewoon hen met droog brood en gemaaien haver te voêren , en hen geen dikke meelpap te geeven, waardoor ze zwaarmoedig en loom worden. Zij moeten niet altijd aan de keten gelegen worden { anders worden zij binnen korten tijd flegt en onbruikbaar.

De Windhonden zijn gefchikt om de opgefnuffelde Haafen te vervolgen. Zij kunnen hen niet alleen in den loop achterhalen maar ook vangen. Bij hun opvoeding moet men hun niet allerlei dikke foupen, melk of diergelijke pap geeven; wijl'zij daar door flegts opgeblazen en dik van lighaam worden ; men moet hun geen beenen maar alleen droog brood en water geeven , 't welk het gezondst voor hun is. Wanneer zij echter over het jaar oud geworden zijn, moet men hen aanzetten.

De Waterhond wordt ook anders Schiethond genoemd. Men rigt hem ook. inzonderheid af om te water te gaan , en allerlei gefchoten vogels daaruit te haaien ; 'er zijn tweeërlei foort van diergelijke Honden : de ruige hairige Poedelhonden en. de gladde Deenfche. Zulk een Hond is men gewoon zo afterigten , dat men hem eerstlijk op het land , daarnaa op het water gewent te zwemmen en een weggeworpen ft.uk houts weder te haaien. Kan hij dat doen, dan neemt men een' ouden afC 2 ge-

Sluiten