Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van AFRIKA.

voor mij was , hadt doen aantreffen ; het fcheen mij toe dat het mannetje en het wijfje beurtelings hunne eieren broedden; die, welken ik gefchoten had was het mannetje; hij droeg, agter aan zijn kop, eene zeer groote dikke kuif in de gedaante van een kap. Het wijfje kwam weldra rondom ons dwaalen; het fcheen ons te befpieden en gaf van tijd tot tijd een zeer heefchen fchreeuw; ik vleide mij het, ook te zullen vellen; met dat oogmerk had ik de twee eieren in het nest gelaaten; dan, alzoo 'er in den geheelen omtrek geene plaats was, daar ik- op de loer kon gaan zitten zonder van. haar gezien te worden, naderde zij ook niet ; ik liet mijn ontwerp vaaren en vervolgde mijne reis. - Het was waarfchijnlijk dat 'er geert een Kaffer was in geheel de (treek, die wij tot nu toe waren doorgetrokken; want de fnaphaan - fchooten , die wij zedert enige dagen geduuriglijk deeden , hetzij op onzen togt, hetzij in onze verfchillende legerplaatfen, zouden ons ontdekt en hen naar ons gelokt hebben, daar zij zoo weinig vreesachtig zijn; wij waren niet alle van een zelfde gevoelen omtrent dat ftuk, dat de gewoone ftof van onze gefprekken uitmaakte; deeze wilden dat'er Kaffers wezen moesten, maar dat zij, niet in menigte zijnde, zig niet durfden verwonen; de andere hielden ftaande dat 'er geene waren, vermits wij niet van bun aangevallen wierden; maar als het op het ftuk p ^ kwam

Sluiten