Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

136 LANDREIS

Wij venden overvloed van goed berken-hout aan den oever van de Jndeweij-me rivier en bleven daar eenige weinige dagen om ons van het nog ontbreekende timmerhout tot kanoos of tot ander gebruik in den zomer op de kaie gronden, waar het ons te p s mogte komen, te voorzien. Op den 20 zond matonabbe£ een zijner broeders en eenige andere leden vooruit met beiken-bast en een ftel timmerhout tot een kanoo, met last om zich naar een kle^n meir digt bij de kale gronden, Cloweij geheten, te begeven, en aldaar met alle mogelijke haast een kanoo te timmeren, en te maken dat de-> zelve bij onze aankomst aan die plaats gereed ware.

Het benoodigde hout famengebragt, en onzen voorraad van vet en gedroogd vleesch vermeerderd hebbende, .wierd den ar bepaald tot den dag van ons vertrek. Maar een der vrouwen overvallen wordende van barensnood, welke hier buitengewoon zwaar was, wierden wij daar door nog twee dagen

graad;van befchaafdheid gekomen zijn, wanneer de vrouwen eenigen invloed op de mans, op derzelver denk- en handelwijze hebben. Dan eerst wanneer de vrcuw niet meer het ondergefchiKte fchepzel, maar de vriendin en hulpe des mans is, komt de menfchelijke ■fameiileving «jt een trap van volkomenheid. Veele reeds^ eenigzins befchaafde volken hebben van hunne vorige ruwheid nog ten minsten de gewoonte blijven behouden , hunne vrouwen niet'met zich te laten eten. Dit heeft, gelijk men weet, ook plaats op de zuidzee,eilanden. F-,

Sluiten