is toegevoegd aan uw favorieten.

Reis van lord Macartneij, naar China.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verblijf Peking. Herfstmaand.

84 BRITSCH GEZANTSCHAP

in in bladen , fpruiten en jonge takjes van boomen en heestengewasfen beftaat (d).

De huisbedienden des keizers , en de andere dienstbooden in de keizerlijke paleizen , zijn allen , of ten minfte voor het

grootte) Bij de dieren , welke onze fchrijver hier boven noemt, kan men nog den rhinoceros of neushoorn voegen , en zich de fchrandere en oordeelkundige aanmerking van eenen beroemden reiziger daarbij crinneren. Zij beftaat hierin: ,, Dat het hoorn van den rhinoceros, en de lange tanden van den olifant, hun door den Schepper der natuur gegeeven zijn , opdat zij in de onmeetlijke bosfchen , waarïn zij zich ophouden , altijd het noodig voedfel zouden kunnen vinden. Wanneer de boomen hun geene jonge takken en fpruiten meer leveren., bedient zich het eerfte deezer die*ren van zijnen hoorn , en het andere van zijne lange tanden, om den Ham der weekfte en zachtfte boomen in eene menigte dunne latten te klieven ; waarna zij dezelven gemaklijk kunnen afknabbelen." Aant. des franschen vert.

Op de bovenftaande aantekening van Mr. castera, merkt Mr. Cossignij /. c. p. 328 het volgende aan: „ Dat de rhinocerosfen en olifanten , nadat zij met hunne hoornen en lange tanden de ftam,, men van weeke boomen gekloofd hebben , het »» hout derzei ven afknabbelen, is iets, dat ik ter naauwernood kan gelooven. Op de oostfijkee

„ kust