is toegevoegd aan uw favorieten.

Lexicon Latino-Belgicum auctorum classicorum.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' CÖCHLEAR-.COCLES

bij voorh. nan een pers, Vitruv. VI, o.

b) een l'chepwerktuig, om water op te trekken, Vitruv. X, rtJ Ri) eene fort van deuren; die zich li?t laten heen en veder fehaiven, Varr. R. R. IH, 5, 3: denkelijk waren zij flakkenvormig. COCF1LEAR en COCHLEARE, zie Cochlearis.

COCHLEAPJS, e, 1) de /lakken betreffende : van daar cochleare feil. vas of'vaftrumentura, en verko t Cochlear, een lepel, eigenlijk, om er de [lakken mede uit de huis lens te haaien; vervolgends om ' le eten in 't gemeen, hij voorh. Martial. XiV, t2i. alwaar het opfchrift cochlearia heet: hier flaat: fum cocbleis habilis, fed nee minus utiïisovis : num quid ('cis, potius cur cochleare vocer ? Ook flaat het woord elders , hij voorh. accipimus cochlearia, Petron. 33, alwaar nogthans dc N' iinïnativus ook cocbiearium zijn kan: ovorum calyces cochlearuuique cochlea. ribus perforare, Plin. H. N. XXVIII, 2: per cochlear, Celf. VI, 14: cochleari, Ibid.: vervolgends als eene maat bejchouwd, een lepel, lepelvol, hij voorh. cumulatum, Colum. XII, 21,.3. i: e. een opgehoopte lepel, een opgehoopte lepel vol: folia decoquimtur & dantur cochlearibus, Plin. H. N. XXIII, 4 in., i. e. lepelswiizc, met lepels: bibitur (aloë J cocblearis menfura, Ibid. XXVII, 4 in., i. e. een lepelvol: 2) menfura cochleari, Plin, H. N. XXI, 27, i. e. zoo veel als in een lepel gaat, een lepel vol. COCHLEARIUS, a, um, de flakken betreffende, daar mede zich bezig houdende: van daar cochlearium 19 feil. (fabulum, Vair. R. R. III. 14 in. en 12 in., i. e. bewaarplaats der flakkert, daar zij bewaard en gevoed weiden. 2) feil. vas of inftrumentum een lepel, bij voorb. fi cochlearii menfura forbeatur, Plin. H. N. XX, 2.2: cochleario dare aliquid, Scrib.Larg. comp. 96: aliquo cochleario, Ibid. 122: . cochlearia tria cumulata, Ibid.: het laat. Jle-kan ook van cochleare zijn, zie cochlearis.

COCHLEATUS , a , um, flakkenvormig, hij voorb. equujéus, Pompon, ap. Non.

COCIILIS, ïdis. f. flakkenvormig, bij yoorb. columna, P. Viel. de region. tirb. Rom. 8 en 9, i. e. wenteltrap: van daar cochlis feil. gemma, een flakkenvormig edelgefleente, Plin. II. N, XXXVil, 12.

COCINATOR1US, a, um, zie Coquinatorius.

COCIO , onis , m. een makelaar, Plaut. Afin. I, 3, 51. Laber. ap. Geil. XVI,

' 7, ook ftaat het Plaut. Mil. III, 2, 29, alwaar het of een fcheldwoord is, hondsvot , of er moet iet anders voor gelezen ■worden , bij voorb. Lucrio met Gronovius. Not. Feftus heeft daar voor Coétio , alwaar misfehien Cocio moet gelezen viorden , dewijl bij hem in Arïlatur ook Cocio ftaat.

COCIONOR, ari, makelaar zijn, vandaar lang handelen , t ij het yerkoopeu, Quintil. Deel. Xll, 21.

COCLES, ïtis, eenöogig, Varr. L. Et.VI, 3. Piin. FI. N. XI, 37 f. 55: Cyclopes coclites, Lucil. ap. Non.: decem coclitcs, Enn. ap. Varr. loco cit.: de coclitum proiapia — nam ii funt unoculi, Plant. Curc. III, 23, alwaar een vo'k

■ (Anmafpi , die eenöogig zullen geweest zijnj misfehien moet verflaan worden, de-

. wijl ir bij flaat nam ii funt unoculi: van

, daar een toenaam, hij voorb. Hc.ratius Coc les, die dc brug bij Rome tegen hei heir

COCOLOBIS — CODEX

van Porfena alleen verdedigde, Liv. 11, 10. Senec. ep. 120. COCOLÖBIS of COCOLOBIS, is, f. eene foort van wijndruiven, bij de Spanjaarden -dus genoemd, anders heet zij bafilica, Piin. H. N. XIV, 2 extr. Not. Colum. III, 2. 19 heet zij cocolubis. COCTIBTLIS, zie Coquibilis. COCTILICIUS, zie Coactiliarius. COCTÏLIS, e,bij voorb. i)laterculi coétiles gebakken fleenen, Plin. H. N. VII, 56: murus coctilis, Ovid. Met. IV, 57,

I. e. uit gebakken fleenen. 2) coétilia feil. ligna, Trebell. Poll. in Claud. 14, i. e. zeer droog en als 't ware gebakken hout, ten zij het liever turf, fteenkolen enz., geweest is: ook heet liet firma coCta, Pandect. XXXII, 55 extr. Ibid. L,i6, 167, alwaar het met titiones gepaard wordt.

COCTÏO, onis, f. 1) hel kooken. 2) verduwing, verteering, Plin. II. N. XX, 9. 3) voor Cocio i zie Cócio.

COCTTVUS, a, um , misfehien het geen gekookt wordt, of bij het kooken gebruikt wordt enz., bij voorb. caftane?! , Plin. H. N. XV, 23, een foort van kastanjen.

COCTOR, oris, m. een kooker of kok,Velum. 95.

COCTURA, ae, f. de toebereiding eener zaak door het vuur, hij voorb. aj'het kooken, Senec. ep. 90. Plin. H. N. XIX, 8 med. Ook het kooken of ftooven der zon, ten aanzien van druiven, Plin. H. N. XIV, 4: b) het fmelten, Plin. H- N. XXXIV, 8 extr. c) verpekken, Colum. XII, 13 extr.

COCTUS, a, um, Particip. van Coquo.

COCÜLA of COQUÜLA, ae, i. e. coqua, Varr. ap. Non. c. 12 n. 52.

CÖCULUM, i, n. feil. vas, een kookgereedfehap , of pot, bij voorb. ahenum, Cato R. r. 11: ex aeneis coculis, Plaut. ap. lfidor.

COCUS, zie Coquus.

CODA, ae, i. q. cauda, bij voorb. vituli,

Petron. 44: canis fine coda, Varr. ap.

Non.: equus coda ampla, Vair. R. R.

II, 7 , 5-

CODEX, ïcis, m. voor caudex , i) deftam, vau^ een' boom , bij voorb. codicc miflb , Ovid.^ Met. XII, 432 : radices — operiamus & circumcaicemus codicem, Colum. V, 6, 21: cl'. Ibid. IV, 8 tweemaal, en XII, 19 extr. Van daar een blok, daalde flttven aan vast gefneed waren, dat zij met zich fleepten, cn daar zij op gingen zitten, volgends onze wijze van fpreken, de flok, Flaut. Poen. V, 3, 33. Prop. IV, 7, 40.Juvenal. II, 57. 2) een boek, dewijl de Ouden yoormaals op houten tafelen fchreven, die met wasch overtrokken waren, bij voorb. Codices membranei, vel chartacei, vel eborei, vel alterius materiac, Ulpian. Pandeét. XXXII, 50: multos codices implevit earum rerum , Cic. Verr. 1, 46: proferre fall'um codicem, Ibid. 61 : referre in codicem indragen, overbrengen, inhet boek, Cic. Suil. 15 : yan daar Codex accept! &-expenfi, Cic. Rofc. Com. 2, ontvangst- en uitgaafboek: yan daar referre in codicem, Cic. Rofc.' Com. 1, inbrengen in het rekenboek (alwaar codex zonder accept! & expenfi ftaat, zoo als bij ons, te boek flellen 9; ook ftaat in codice referre, Ibid. 2: codicem fcribere, conferibere, inftituere, Ibid., i. e. een rekeningboek maken: teftamentum duobus codicibus 1'criptum, Suet. Aug. 101, i. e. het heeft, •wegens zijne groote, twee boeken uitgeDd

OODICARIUS — COEMTIONALIS 215'

maakt: codicc fiievo, Juvenal. X. 236, i. e. Testament enz.; 'zie ook Caudex. COniCARlUS, Zie Caudicarius. CODICILLUS, i, 111. 1) een kleine ftam, Cato R. R. 55 en 130. 2) Codicilli, a) een fchrijflafel, bij yoorb. harum rïitèra. nut)) exemplum in codicillis exaravi, Cic. ad Div. IX, 26: verba in codicillos referre, Cic. Phil. Vlff, to: deze zonden de Romeinen aan hunne vrienden, als cch Biljet, van daar b) een Biljet,bij voorb. quaefivi per codicillos, Cic. ad Div. VI, 18: codicilli jui, Cic. Q. Fr. II, 11: venit cum coTlicillis, Sulpic. in Cic. ep, ad Div. IV, 13: cf. Suet. Calig. 55. Nor. codicillos datos , non epiftblas,'"Plin. H. N. XIII, 13: codicillos mifütatos epiftolarmn gratia, Ibid. XXXIII, 1, alwe. r dus codicilli en epiftohe onderfcheiden worden, c) elk fchriftelijk opftel, Senec. Clem. 15 : bijzonder d) een yerzoeifebrift. request, Tacit. Ann.'lV, 39. VI, 9. e) het fchrift, waar in men zijn uiferjien wil optekent, Tacit. Ann. XV, 64. Pandect. XXIX, 7 leg. I, 2, 6, 8: f) het handfehrift des Keizers, Suet. Calig. 18. Claud. 29.

COELEBS-, COELIBATUS, zie Caelebs eet.

COELIACUS, a-, um, het onderlijf betreffende, bij voorb. a) dolor, Cato R. Ft. 125: morbus, Celf. IV, 12 , verflop t li/f: bj coeliaCus die daar aan ziek is, Vair. R. R. III, 10', 22. Plin. H. N. XXVlIf, 1. XXX, 7. Scrib. Larg. comp. 95: c) medicamenta coeliaca i. e. daar 'tegen dienflig, Plin. FI. N. XX, 18. COELUM cn de Woorden, die daar van af-

flammen , zie Caelum, eet. COËMO', êini, emtum , 3. famenkopen, of kopen, als men veel koopt, bij yoorb. omnia bona , -Cic. ad Div. XV, 19: cf. Cic. Verr. IV, 59. Caef. B. G. 7,.'3. Terent. Ad. II, 2, 17. Horat. Sat. 1,2, 9. Suet. Vefp. 16: COËMTIO, onis, f. 1} defamenkopbig, opkoping van ver fchèiden dingen, bij voorb. ■ ervenisfen, die fomtijds in fchijn aan grijsaards verkocht werden, opdat de daar op vastgemaakte offers afgemaakt wierden; zoo verklaart Gronoviiis de plaats Cic. Mur. 12 fenes ad coëmtiones faciendas, interimendorum J'acrorum cauia, reperti funt: anderen verklaaren het, huwlijken flichten, en brengen het tot n. 2. doch de eerfle verklaring fchijnt beter. 2) eene hitwlijksplegligheid, die in een' fchijnkoop beflondt, waardoor bruid en bruidegom zich als 't ware j'amen kochten, Cic. Flacc. 3-1. Or. I, 56: yan daar mulieres , quae coëmtiones facerent, Cic. Mur. 12 extr., i. e. op deze wijze trouwden. Te weten de nieuwe vrouw bracht drie alfes tot den man: den 'een', dien zij 111 de hand hieldt, gaf zij hem, als 't ware op den koop; den tweeden, dien zij onder de voeten hadt; legde zij op den focus of haard der Lares familiares : den derden, dien zij in de zak geftoken hadt, nam zij er op een bijgelegen compitüm (i: e. kruis weg, dwarsweg) uit: dus kwam zi> ia de magt van haaren man, Varr. ap. Non.Ook zal-daar bij vuur en water gebruikt zijn, volgends Serv.- ad Virg. Aen. IV, 103.

COEMTIONALIS, e, het geen met meer dingen faam verkocht moet worden , dewiil men het afzonderlijk wegens de jlcchlheid,'■ niet verkopen kan; gevolglijk Jlecht, bij' voorh. fencx, Plaut. Bacch. IV, 9, 52. Cur. in Cic. ep. ad Div. VII, 29: dit isde itrklariug yan Gronovius: Salmafitis ■ ver--