is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land, in brieven.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZES- EN- DERTIGSTE BRIEF. 219

moeting van eenen ftervcling, die, fchoon zeer gebrekkig, in zijne gevoelens deelc?

I K,

Deze gedachte is mij zoo vreemd, als bevallige zij treft mij. Met zulke denkbeelden voorzien, kunt gij de eenzaamheid niet fchuwen; zoo is de

doodfche nacht voor u gezellig; En hij .

wordt het nog meer, als gij den Hemel aanziet; die duizende flikkerende Herren verminderen zelfs voor den landman , die ze als zoo veele heldere lampjes aanmerkt, de naarheid van den nagt, hoe veel meer voor u, die ze met uw wijsgeerig oog befchouwt, als zo vele werelden , en zonnen, die inhetmaateloosruïm, geregeld langs hunne loopkringen omwentelen of in hunne ftandplaatzen blijven. Zeg, Emilia! wat gevoelt uw groote ziel wel op dit gezicht?

E M TL I A

Mijn groote ziel, Eüfrozyne? Juist dan gevoelt zij allermeest bare kleinheid; dan word zij niets. Zie ik zo veel wereldbollen buiten onze aarde, wordt onze kloot in mijn oog maar een

flipje in vergelijking van 't geheelal: Wat

kan dan één mensch mij anders worden, dan

een onmerkbaar niet? En hoe verdwijnt

dan alle (tof tot hoogmoed? — Waarlijk de

nacht