Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'< 2 >

Ziet men hoe Gods ongenoegen,

Door talloos tergen moe gehoond, Dat zijn goedheên lang verdroegen, Nu uitgetart, zich vaardig toont, Om een hem onteerend kroost, Dat van geen fchaamte om fchenddaan bloost , Rechtvaardig op den kop te ftorten

De ftraf, voor 't hem beleedgend kwaad, En al hunn' voorfpoed in te korten, Zoo dat hij hun berooid, noch tak noch wortel laat.

Voelt men reeds wat plagen drukken,

Wat kwaal ons uitteert en verzwakt, En zal 't hart voor God niet bukken, Eer hij ons gansch vermogen knakt?

Zal men in den veegften nood, Bij 't naaken van den bangften doodj Geen traanende oogen opwaards zenden,

Beweenende en bederv en fchuld; Met zucht: mogt God zich tot ons wenden En rekken noch zijn taai, zijn veel gevergd geduldP

't Koo

Sluiten