Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GODSDIENST OP DE~D E U G D. 355

beftaat, de plicht en regel voor redelyke fchepfelen.

2.) Den geenen lief te hebben, die ons goed doet, fchynt eene aandoening te zyn , van alle andere be■fpiegelingen ten eenemaale onafhanglyk. En evenwel is elke betooning van vriendfchap voor een teder gemoed aangenaamer, wanneer men dezelve als een werk van de Voorzienigheid befchouwt. Het goede dat wy uit de handen der menfchen ontvangen, kan ons zeer verheugen; maar dan treft het ons gevoelig, wanneer wy hen als werktuigen van een hooger en onzichtbaaren weldoener aanmerken. In' het eerfte geval bepaalen zich ons genoegen en onze dankbaarheid tot het byzonder nut, het welk voor ons uit deeze weldaad voortvloeit: in het laatfte worden^beiden uitgebreid, door de hoop, welke zich daardoor over ons geheel beftaan verfpreidt; en door de zekerheid , welke wy daardoor ten opzichte van onze toekomende lotgevallen verkrygen. Dit befpeurt men inzonderheid alsdan, wanneer wy in het oogenblik van dringenden nood, van eenen onbekenden hulp verkrygen. De ontroering, die daarby plaats vindt, wyst ons ongetwyfeld op een Voorzienigheid, geeft ons daarvan eene meer dan gemeene overtuiging.

Maar vervolgens , alle menfchen te beminnen, is flechts mogelyk by een algemeen verband. De gelykvormigheid der natuur is hiervoor niet toereikende. Ten minften wordt de grond der toegenegenheid, welke in dezelve ligt, ongemeen verfterkt, wanneer wy ons als kinderen van öénen vader aanmerken : wanneer wy ons voorftellen eenen grooten vryen ftaat uit te maaken, die eenen gemeenfchaplyken Opperbeftierer en Regent heeft, welke voor het geluk van allen zorgt.

Z 4 30

Sluiten