Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ö22 GOTTHOLB EPHRAÏM LESSINGS

XX f.

de vos en de oijevaar.

Vertel mij toch iets vaa de vreemde landen, die gij algezien hebt , zeide de Vos tegens den verre gereisd hebbenden Oijevaar.

Hierop begon de Oijevaar hem elke modderpoel, en «He de vochtige weiden op te noemen , in welken hij de fmaakelijklte Wormen, en de vetfte Vorfchen genuttigd hadt. »

Gij zijt lang in Parijs geweest , mijn Heer! waar eet men wel het lekkerst? welke Wijnen hebt gij daar net meest naar uwen imaak gevonden ?

^ XXII.

de uil en de graaver.

Zeker Graaver naar fchatten was een zeer onbillijk man. H.j waagde zich in de ruinen van het oude Slot eenes roovers, en werdt aldaar gewaar, dat de Uil eene maa Mu{& > ^

bdhjk gedaan, zeide hij, van den wjjsgeerigen lievelmg van minerva ?

Waarom niet? andwoordde de Uil. Om dat ik (lile overdenkingen beminne, kan ik daarom van de lucht leven? _ Maar ik weet wel, dat gij Men fchen, ait van uwe Geleerden begeert.

XXIII.

de jonge zwaluw.

Wat doet gij daar? vraagde eene Zwaluw aan de wetae Miere„. w.. ver2ame]en voQr *

den Wmter; was het fpoedig andwoord.

Dat

Sluiten