is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerredenen over den Heidelbergschen catechismus.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE ZONDAG. 403

tien doorffaan, wijl de eindige natuur der overtreders zulks niet toelaat. Daarom wordt dit onvermogen vereffend door eene oneindige duurzaamheid. En dus is mede de ftraf der zonde op haare wijze oneindig; eensdeels, omdat zij den mensch beroovt van het oneindig goed der gemeenfchap van de eeuwigleevenden God; anderdeels, omdat zij oneindig is van uitgeftrektheid, dat is, eeuwigduurend (46), en dus tot in het oneindige wordt voortgezet.

Edoch, men zoude nog konnen uitzonderen, dat, indien elke zonde oneindige ftraf verdient, hoe dan aan Gods gerechtigheid zal konnen genoeg gefchieden. Want, ftel, dat iemand dievftal, doodftag en hoererij bedreven heeft, indien hij reeds voor den dievftal eeuwig geftraft wordt, wat zal hij voor den dood/lag en hoererij moeten lijden? Doch hiertegen komen 1111 de Trappen in de Verdoemenis te pas, door welken dezelvde eeuwige ftraf in den eenen meer, in den anderen minder zal verzwaard worden; want dat er trappen zullen zijn in de ftraf, gelijk er trappen zijn in de zonde, daaraan kan niemand twijffelen, luc. XII: 47. enz., waarvan wij ftraks reeds gefprooken hebben.

Ten laatften vordert de Rechtvaerdigheid Gods, dat de zonde aan lijv en ziele geftraft worde. De reden is klaar door zichzelven, terwijl de mensch in die beide deelcn heeft gezondigd, en die beiden ook aan de zonde zullen verflaavd blijven tot in eeuwigheid: vreest u niet voor den geenen, die het lichaam dooden, en de ziel niet kunnen dooden; maar vreest veel meer hem, die heide ziel en lichaam kan verderven in de helle, matth. X: 28.

Alleen is men nog wel eens gewoon te vragen, of het evenwel niet hard is, dat God, om zijne gerechtigheid te openbaaren, een mensch heeft willen fcheppen, welke hij wist dat eeuwig verlooren gaan, en een voorwerp van zijne ftrafoeffe-

nen-

C^O aThesf, I: «, 5,