is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerredenen over den Heidelbergschen catechismus.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

604 VIERDE ZONDAG.

nende Gerechtigheid ftondt te worden. Dus onderwindt zich het maakzel met zijnen Manker te twisten (47), eifchende met zulk een taal, dat de openbaaring van Gods Deugden voor de ramp van een moedwilig zondaar behoorde te wijken. Wat moeten wij hierop antwoorden? wij zien van achteren, dat de menfchen, die van God gefchapen zijn, geen eenerlei weg betreden; zommigen hebben eerbied voor het aanbiddenswaardig Opperwezen , en leeven ootmoedig voor zijn aangezigt: anderen bedrijven allerlei godloosheid , en ftellen zich vermetel tegen de Godlijke Wet. Deeze beroeren de waereld, terwijl geenen befcheiden en vreedzaam met hunnen naaften leeven. Heeft nu Gods Voorwetenfchap hun niet belet, zulke menfchen te fcheppen, die hij wel wist dat het zoo gruwelijk zouden verderven , waarom zoude dezelve hem tot beletzel zijn, om denzelven naar verdienfte te ftraffen P Of zoude hij, om de volmaaktheid van zijne Alweetendheid juist den luifter van een Rechtvaërdig Richter moeten afleggen ? Dit moet ons genoeg zijn. Die een voorwerp wordt van Gods ftrafoeffenende Rechtvaerdigheid, is een onbekeerlijk Zondaar, Hij heeft tegen de Godlijke Verdraagzaamheid aangedruischt, en vrijwillig zich fchuldig gemaakt aan de overtreding van Gods Wet. Als God hem dan ftraft, hij doet het met alle reden ; niet zoo zeer om zijne Alweetendheid, maar om zijne Gerechtigheid te verheerlijken, en dus is er niets in allen deezen, dat met eenigen fchijn kan berispt worden, of dat den grootmagtigeu Oppervorst, eenigzins onbetaamlijk is.

TOEPASSING,

Ziet daar, Toehoorders! een vertoog van de vreeslijkheid der ftraffen, die den mensch, naar Gods Rechtvaërdig oordeel, door zijne moedwillige ongehoorzaamheid verdiend heeft,

Wie,

(4,?; Jef. XLV: 9. Kom. 1%: a».