is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerredenen over den Heidelbergschen catechismus.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44» DRIEËNTWINTIGSTE ZONDAG.

zijne ongerechtigheid fomtijds verbergen, of ten minnen verbloemen ; en menfchen, die zelve Zondaars zijn, zullen ook nog al ligt gereed wezen , om , naar hun feilbaar oordeel, zichzelven of anderen te rechtvaerdigen. Maar het gaat zoo gemaklijk niet Rechtvaerdig te zijn voor god, die de Gerechtigheid zelve, en voor wien niets verborgen is , job IX: 2, 3. XV: 14—16.

Maar die zwaarigheid neemt de Leerling weg, als hij fpreekt van een Rechtvaerdigheid voor God in christus, met een gezegde, dat eenvoudiglijk zoo veel te kennen geevt, als in de Gemeenfehap van christus, of, omdat men in hem tot Rechtvaerdigheid gerekend wordt, jes. XLV: 24, 25.

Eene Rechtvaerdigheid, trouwens, waardoor wij reeds bij aanvang worden verheerlijkt; want een Geloovige mag zeggen, dat hij niet alleen in christus voor God rechtvaerdig is, maar ook een ervgenaam des eeuwigen leevens. Te weeten, het eeuwige leeven is bet voorliaamfte der Ervgoederen, die. God van eeuwigheid in het Testament der Genade aan zijne kinderen befchooren heeft, en die hun verworven zijn door den dood van christus, hunnen oudflen Broeder, in welken dat Testament is vastgemaakt. Nu kan een Geloovige reeds betuigen in dezen tegenwoordigen Tijd, ik ben een Ervgenaam des Eeuwigen Leevens; niet, als of hij terflond op zijn Geloov gefield wierdt in het volle bezit van het eeuwige leeven; want iemand, die befchreeven is in een Testament, fchoon hij, uit kracht van dat Testament, al aanflonds recht zoude hebben tot de goederen die hem befprooken zijn, heeft er echter geen daadlijk genot van , voor dat de Testamentmaaker dood is , en hij dat goed, van zijne kant, aanvaard heeft. Maar de fpreeker wil alleenlijk zeggen, dat hij door het Geloov in chris tus eene wettige aanfpraak heeft op de goederen van Gods eeuwig Testament, en dat hij zich ook verzekerd houdt, vooral, wijl dit Testament onveranderlijk en nu reeds bekrachtigd is, door den dood van den Testateur, dat hij de Hemelfche Ervenis eens

zoo