Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VEERTIGSTE ZONDAG. stp

als of men op de bergen van Bether, van verdeeldheid, of bij de wateren van Meriha, dat is, bij de twistwateren, gebooren was? maar doet gij' zoo omtrent een ander, wat recht hebt. gij om te klaagen, zoo u ook eenig ongelijk gefchiedt; of gij moet u verbeelden, dat God een aanneemer van perfoonen is, die zich meer aan de verongelijkingen, die er gefchieden, dan die gij eenen anderen doet, zal laaten gelegen zijn4 4. Zijn er nog al fommigen, die zich aan het lichaamlijk Dooden zoo zeer niet fchuldig maaken; ói wat is er niet eene menigte , die men echter Moordenaars , zoo wel var* hunne zielen, als van de zielen hunner Naaften te noemen* hebbe!

a. Immers, zijn zulken geene Zelvsmoorders van hunne eigene zielen, die, tegen de waarfchuwing van Gods Woord.» en de aanbieding van Gods genade, om hunne zielen te behouden, nochtans in hunne zonden moedwillig verftolct blijven, waarop zij niet anders dan den dood, die de bezoldingi der zonde is, te wachten hebben?

b. Maar aan de andere zijde, zijn zulken ook geene Zielenmoor der s van hunnen Naaften, die, of door valfche lee» ringen, welken der ziele doodlijk zijn, veelen bederven, eii met hunne fnoode grondbeginzelen vergivtigen. Ja die zelvs door hunne leerwijze fommige menfchen wel eens brengen tot vertwijffeling, waardoor zij tot den ftrop, of tot het mes,, of tot het water vervoerd worden: of die ook eikanderen tot prikkelen en voorbeelden zijn , om te volharden in hunne zonden , en om voorttegaan op dien weg, die iemand reche fchijnt , maar het laatfte van dien zijn wegen des doods % spreuk. XIV: i2. XVI: 25.

Waarlijk, op alle deeze dingen was ook oudstijds de dood gefield, verg. exod. XXXII: 27—30. num. XXV: 4—8; En, wat kunnen alle de zoodaanigen daarop anders te gemoet zien; dan dat de dood hun eens zal overkomen als een Koning der verfchriklingcn, om hen te werpen in den tweeden

HL' tóEÈitj hl Hc'b'ds

Sluiten