is toegevoegd aan uw favorieten.

De poëtische spectator.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 82 )

Gij kent het boeksken: het is te Utrecht in den jaare 1784, bij J. M. van Vloten uitgegeven. Ik meen de fchrijvers, ten minste fommigen van hun te kennen.

In het eerste dichtftukje dat het opfchrift heeft na eene herftelling, leest men:

Gelijk het tedre bloemtje Zich voor de winden neerbuigt En 't hartje weerloos kwijnt Zo boog mijn jonge leven Voor éénen wenk der Godheid Zich neder over 't graf,

Het bijgevoegde en 't har tje weerloos kwijnt, komt mij voor een ftopregel te zijn, ■— mijn bewijs is, dat als men het er uitlaat, de gedagte in eenvoudige natuurlijkheid wint; daar het nu de gedagte ingewikkeld cn duister maakt. Wil men deze regel vei beteren, men ftelle er voor: en Jiddert op zijn Jlöcl.

Het derde couplet heeft een foortgelijke regel.

D£ God des levens

Zag neder op de waereld

Was dit niet genoeg?moest er de dichteres nog bijvoegen : doorliep het gandfche ruim. Was het niet genoegfaam dat God op de waereld nederzag, om het gevaar waarin de dichteres zig bevind optemerken ? Het fmekend traantje