is toegevoegd aan uw favorieten.

Esther, in vier boeken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74 ES T II E. R,

„Dien hij bemint en acht, knielt allen voor hem neêr."

„ Zo zal 'er dan geen eind' aan mijne rampen komen. "

Roept Mordechai „Mijn God! Almagtig Opperheer!

„ Is hoon en fchimp en fpot dan eindloos 't lot der vroomen?"

Neen! Grijzaart, Isrels trooft! aan ugefchiedtgcen hoon.

Gods voorzorg blijft uw hoofd, hoe diep gebukt, bewaaken.

Uw deugd, zolang vertrapt, krijgt eindelijk haar' loon.

Uw volk-zelf Mordechai! zal't dreigend leed niet naaken.

Uw naam zal deez.en dag nog in 't Gedenkboek ftaan.

Waf wisling! Haman moet, als Vorft,u, juichende,ecren.

Uw grootfte vijand moet nu buigend voor u gaan.

Hoe kan mijn Godsvriend ooit roemrijker triumphecren?-

De Nijd, geteeld in 't diepft van 's afgronds fulferpoel,

Had lang haar addrenfpog verfpreid in Haman's Zoonen.

Een felle blikzemftraal ftoort nu hun vreugdgewoel.

Hun Vader moet de kruin van Mordechai nu krooncn.

Het purper Opperkleed zwiert weórzijds van het Paard, t-v /ï-i (dwaalen,

Doorftikt met fchittrend goud, en pracht, die 't oog doe:

Met edel rijk gefteent' praalt nu zijn hoofdcieraad, En tart het bloozend Ooft en Wefterzonncftraalen.

Door 't hoog Azuur-gewelf drong 't Godgewijd muzijk. Heel Sufa galmt van vreugd, elk hoort men liedren zingen.

Hoe rolt die blijde maar door 't gantfche Perfifch Rijk3 De hoop gloort in het oog van Isrels drukkelingcn.

Men