Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3°4 Eelhart en Saartje.

DERDE B E D R IJ F.

EERSTE TOONEEL. Jacob, Margaretha, Justus, Maria. Jacob.

N u Vrouw, nu denk ik, dat gij overtuigd zult zijn, dat Eelhart geen fchuld heeft aan het verfeheuren van zijne Trouwbelofte ; en dat onze waarde Dochter daar van alleen de oorzaak is.

Margaretha.

Daar zal ik ten vollen van overtuigt zijn, als Eelhart haar weder eene nieuwe trouwbelofte heeft gegeeven. Dan zal ik hem geheel rechtvaerdigen,

Justus.

Gij moet niet gelooven dat wij voorneemens zijn, om ons te bedienen van het edelmoedige gedrag van uwe Dochter, om u een ftuk te onthouden, het geen onze Zoon aan uw Dochter vrijwillig heeft gegeeven ? Wij hebben reeds een befluit genoomen om toe te ftaan, dat zijn huwelijk met uwe Dochter,niet tegenftaande het geval met uw broeder, op een bekwaamentijd voortgang zal hebben.

Margaretha.

Waarde Vriend! Wij Hellen ons daar in volkomen gerust; en hebben in het minst aan de getrouwheid van Eelhart niet ge.

wrijf.

Sluiten