is toegevoegd aan uw favorieten.

De zedelijke toestand der Nederlandsche natie, op het einde der achttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

434 GODSDIENST.

Daar nu zulke onzuivere beweegredenen de menfchen aanzetten tot het lidmaatfchap, kan men ligtelijk berekenen, hoe men 'er zich toe bereidt, en hoe het aannemen tot het lidmaatfchap toegaat. — De toebereiding is, gelijk wij reeds zeiden, dat men eenige lesfen van eenen katechizeermeester neemt, men prent eenige antwoorden en vraagen, en eenige fchriftuurtekflen, in zijn geheugen, zonder dat men 'er iet van verhaat, ja zelfs dikwijls zonder eenige kennis aan den Bijbel of aan deszelfs inhoud te hebben, waar uit die tekflen ontleend zijn, met welker verband en de bedoeling der fchrijvers men zich in het geheel niet bekommert, en dus ook niet in ftaat is, om de kracht der bewijzen te vatten. — Dus toegerust komt men bij den Predikant, die , van eenen ouderling verzeld, het onderzoek aanvangt, dikwijls van verfcheiden te gelijk, wanneer de tijd fchielijker om is , en het onderzoek voor den genen, die niets weet, te gemaklijker valt. De Predikant volgt bij het onderzoek geleidelijk en naauwkeurig de leerwijze van den katechizcermeefter of vrouw, die de aankomelingen geleerd hebben, en doet de vragen bij de rei af, zoodra toch als hij eene vraag overflaat, of flechts met andere woorden voorftelt, kan hij verzekerd wezen, of geheel geen,.*of een verkeerd antwoord te zullen bekomen — Het onderzoek ten einde gelopen

ïijn-