Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJZONDERE STANDEN. XI. Boek. 5°?

zitten, hunne vermaaken zijn buitenfpoorigheden, hun gedrag is woestheid.

Ik weet het, onder de geringde lieden worden echter ook eerlijke , deugdzame zielen gevonden , wier zeden min bedorven, wier oprechtheid zuiverer is dan die van veele aanzienlijken. • Ik weet, dat de deugd zich niet zelden verfchuilt in de hut der armoede, wanneer zij, door de overhand nemende boosheid der menfchen, genoodzaakt wordt, zich te verbergen.

De menfehenvriend heeft reden, om het lot

der geringe lieden te betreuren. „ Droevige

verbastering onzer Natie! zegt een Va-

derlandsch Schrijver. ! Onder dezelve zorgt

niemand bijna voor het gemeen. En wie maakt ondertusfehen den grootften hoop onzer inwooneren uit ? Waar ligt ons allen meer aangele-

eu 9 Wat is 'er voor het Vaderland te

wachten, als het gemeen zal bedorven zijn?— En wanneer dat bedorven zal zijn , zal 'er dm verbeteringen herftel op wezen?" — Ja, m de daad, de gemecne man wordt geheel verwaarloosd, ten aanzien van zijn zedelijk beflaan, niemand ziet naar hem om , ten einde hem onderwijs, of vermaaning, of vertroofting mede te deelen. En ondertusfehen is het met het menschdom, ten aanzien van deszelfs zedelijken toeftand, zoo gelegen dat, wanneer 'er niet geduurig aan deszelfs verbetering gearbeid wordt, Kk S de-

Sluiten