is toegevoegd aan uw favorieten.

Antwoord op het geschrift van den heer J.C.R. p{r}. tot titel voerende: Rechtmatigheid van het Formulier van Alexander VIII.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

438

AANHANGZEL.

Monumentis ia Iucem editis quae ad M defenfionem Ecclefia illa non ita pridem collegit atque vulgavit.

Qua? fanè -cum dico, nollem, ut a plerisque Romanae Curiae (*) affentatoribus fieri folet, me accufari odii animique malevola erga Romanos. Teflem Deum appelio, me haec folum dixiffe tactum dolore cordis intrinfecus, ob infeliciffimam illius Ecclefiae conditionem ac itatum, atque amore ac reverentia duftum erga ipfam Eccleliam Romanam, cui, tanquamunitacis centro,indivulfè adhaereo, femperque adhaerere gloriabor. Cuperem enim vehementiffimè ucipfaCurialium fuorum maculam elueret, eorum fcilicet duritiem emolliret, eosque ad priftina moderationis & charkatis exemplarevocaret. Quod fanè conduceilet non folum ad illius Ecclefiae diü jaótatae tranquillitatem ac pacem, fed etiam ad aedificationem fidelium, ad fcandalum haereticorum removendum, atque ad plenum christianae charitatis triumphum. Ea nunquam ex-

(*) Juift dezelve uitdrukking welke de Hr. J. C. gebruikt ten opzigte van zulke Schryvers, zoo ais wy gezien hebben bladz. 209. Het zyn kwaalykgezinde die zoo fpreken van de Paufen en van het Hof van Romen, zeggen gemeenelyk de vleijers van dat Hof: maar een Catholyk gelyk de Hr. J. C. is anders gezind als deliefderyke Africaanfche Biffchoppen, en fpreekt ook wat anders als de Graaf van Trautmansdorf, en als de twee Geleerde Profefforen van de Hooge Schoole van Pavia hier doen: deze zullen dan ongetwyfelt ook eene geut'ft'ingueerde plaats krygen in zyne lange lyft der kwaalykgezinden en der verdagteu.