is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginzels der kantiaansche wysgeerte.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van het zuivere verftand. ipy

preedlcaat, tot een mooglijk oordeel. Zoo veele oorfpronglijke formen der verftandsdaden 'er, derhalve, zijn; even zoo veele grondbegrippen moeten 'er ook voor handen zijn. Ware 'er ee'n begrip meer, dan 'er zulke oorfpronglijke werkzaamheden van het denken zijn ; zoude hier uit volgen, dat dit begrip tot geene verftandsdaad zou konnen gebruikt worden. Nu moet tog elke verftandsdaad onder de eene of andere form ftaan: gevolglijk, zoude dan dit begrip , in 't algemeen, tot het denken niet konnen worden gebruikt, en, derhalve, ledig, en, zonder bewustheid, in de ziel moeten liggen. Doch dit is volftrekt onmooglijk; gelijk wij boven (§ 5) gezien hebben. 'Er kan dus niet ee'n begrip meer zijn. — Maar ftel nu eens, dat 'er eén dezer grondbegrippen minder zij, dan 'er oorfpronglijke verftandsdaden zijn. Wat dan? Loutere tegenftrijdigheid! want dan zoude men verftandsdaden hebben, in welken geen begrip , en geepe eenheid waren (§ i. 49, 51). Een ieder gevoeltdeze ongerijmdheid : want de verftandsdaden beftaan juist daar in alleen, dat de menigvuldige voorftellingen, onder eéne gemeen ichaplijke voorftelling, worden- geordend, en alzo , volgends haren rang, onder deze, of gene form gebragt. Deze form nu zoude dan geheel ledig zijn, en geene daad bevatten: iets, N 3 *S