is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginzels der kantiaansche wysgeerte.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omvang van V gebruik d\4oordeelskracht, ig?

zien van eenen ieder te gelden, is: over den fmaak laat zig niet disputeeren : met andere woorden : de bepaalgrond van eenig oordeel van fmaak mogé, ja, ook voorwerplijk zijn j maar het laat zig egter tot geene bepaalde begrippen brengen; en 'er kan, gevolglijk, ter zake van dat oordeel zelve, of' het rigtig oïnietrigtig geveld zij, door bewijzen niets worden uitgemaakt , fchoon men, daar over, wel, en met regt, ftrijden kunne. Want firijden en disputeeren komen daar inoverëen, dat beiden, door wederkeerigen tegenftand der oordeelen, eendragt van dezelven zoeken te bewerken: maar daar in onder, fcheiden zij zig van elkander, dat het disputeer-en dit trachte te doen, volgens bepaalde begrippen, als bewijsgronden, en derhalve voorwerplijke begrippen , als gronden van- het oordeel, aanneme.

Een opmerkzame bevroedt, dat tusfchen deze beide fpreekwoordlijke gezegden nog een derde ontbreekt , welk wel geen fpreekwoord', maar egter in den zin van een'iederbegrepen is,naamlijk, over den jmaak kan men ftrijden (f). Deze ftelling ftaat over tegen de, eerfte: een ieder heeft zijn eigen fmaak. Want, wanneer men over iets zal konnen f rijden, dan moet 'er eenige hoop zijn om met

el-

(*) Niet, gelijk de Heer Bom fchrijft, disputeeren', maar firijden

N %