Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE BEDRIT, tweede toneel, 33

boek uitmaakt, doet, naar mijne gedagten, niet alleen eer aan den Schrijver maar aan de men. fcjjelijke natuur.

FULMER.

't Is een Schrijver wiens werken ik in mijn winkel moet hebben, fchdon' ik nooit fmaak in zijne fchriften had, hij is veel te los en ongebonden.

dudleij.

Dat is wat ftreng beoordeeld; ik houde hem voor een zedenmeester in den edelften zin, 't is waar, hij fpeeit met de verbeelding en zomtijds misfchiên wat te dartel; maar daar hij op die wijze voorbedagtlijk zijnen voornaamften aanval vermomt, treft hij eensklaps het hart, rukt alle zelfachtige verfchansfingen weg en zet alle de Huizen van niededoogen en weldadigheid open.

fulmer.

Wij Roomfchcn hebben juist niet veel verplichting aan hem. Evenwel, Mijnheer, wil ik uw gevoelen niet tegenfpreken'; een Schrijver, dien wij beminnen, is als een begunfHgde minnares, en gelijk gij weet, Kaptein, niemand heefc graag dat men rede vordere van zijnen fmaak.

I d u d l e ij.

Op mijn woord, Mijnheer, ik weet niet wat een meriscb. in dat geval graag hebbe: die proef heb ik nog nooit genomen.

C FUL-

Sluiten