Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. 23

Weet ge, ö myn boezemvrind! In deze omfhndigheid, Zo hachlyfc voor den Haat, wel iets dat voor hem pleit ?

DECIUS.

Wat wilt gy, Manlius? wat kan, wat zal ik (preken,

Eer my van uwen zoon de misdaad zy gebleken?

Herdenk uw jeugd, mynheer, herdenk de drift van 't bloed,

Die toenmaals veêrkracht gaf aan uwen heldenmoed:

Herdenk uw' toeftand ,:oen uw vuist den Gauler velde,

En hoe gy Romes eer door dapperheid herflel )e.

Hoe! zou een heldendaad zo hoogst ftrafwaardig zyn?

MANLIUS.

Gy oordeelt, Decius, naar uiterlyken fchyn: r

11 c . (.zworen,

Heett niet myn zoon deez' dag voor 't oog der goön ge-

Naar ons bevel alleen in 't heir te zullen hooren ?

Wat draf verdient hy dan, die dezen eed vergeet,

Erf-, hoe zyn roem ook blinke, uit overmoed misdeed?

Het heil van 't vaderland, vertrouwd in onze banden,

Eischt dezen dag van ons de droevigfte offeranden.

Goön! kon ik uwen toorn verzoenen met myn bloed,

Hoe gaarne wierd door my een zoon , my waard\ behoed !

Dan neen;uw wil verbied me om voor myn' zoon te fneven,

En dwingt me om aan 't heelal een grootschbewys te geven

Van onbefmette zucht voor 't dierbaar vaderland :

Gy eischt niet vruchteloos dit offer van myn hand.

Ik fluit myne oogen voor het tederst medelyden.

Leert my de fïem van 't bloed, leert my natuur beflryden.

Gy eischt gehoorzaamheid aan uw bevel en wil:

Ik. zal gehoorzaam zyn, en zwyg eerbiedig flil.

Sluiten