Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

532 De Twee Vrienden.

Melac de zoon, vaat verlegen. Ik hoop my nooit by haar te vergeten , en zal haar altyd zo veel eerbied betoonen als ik genegenheid voor haar in myn hart koester.

Melac de vader. Waarom dezelve daar bepaald, zo zy redelyk is? Lach met haar in gezelfchap, in de tegenwoordigheid van haaren oom, of van my; maar wanneer gy haar alleen vindt, dan moet gy haar eerbieden. De eerfte ftraf van hem die de betaamlykheid fchendt, is dat hy weldra den fmaak van betamelykheid verliest; de eene fout brengt de andere voort, en derzelver getal groeit fchielyk aan; het hart verbastert; men voelt den teugel der eerlykheid niet meer dan om zig tegen denzelven te verzetten: men begint met zwakheid, men eindigt met ondeugd.

Melac de zoon, aangedaan.

Myn vader, heb ik zulk eene ftrenge berisping verdiend?

Melac de vader, op een zagter toon.

Raadgecvingen zyn geene verwyten ! Gaa, myn zoon, vergeet nooit dat de nigt van uwen vriend, van den weldoener uws vaders, voor u geheiligd moet zyn. Herinner u , dat zy geene moeder heeft, die voor haare veiligheid waakt. Denk, dat myn eer en de uwe hier de fteunzels van haare onfchuld en van haare goeden naam zyn moeten. Gaa u kleeden.

ZES-

Sluiten