Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s£2 De Twee Veienden.

Melac de zoon, wat verlegen. Ik hoop my nooit by haar te vergeten, en zal haar altyd zo veel eerbied betoonen als ik genegenheid voor haar in myn hart koester.

Melac de vader. Waarom dezelve daar bepaald, zo zy redelyk is? Lach met haar in gezelfchap, in de tegenwoordigheid van haaren oom, of van my; maar wanneer gy haar alleen vindt, dan moet gy haar eerbieden. De eerrte «raf van hem die de betaamlykheid fchendt, is dat ny weldra den fmaak van betamelykheid verliest; de eene fout brengt de andere voort, en derzei ver getal groeit fchielyk aan; het hart verbastert; men voelt Jen teugel der eerlykheid niet meer dan om zig tegen denzelven te verzetten: men begint met zwakheid, men eindigt met ondeugd.

Melac de zoon, aangedaan. verSd?ader' & ZUlk ee"e flrenSe berispi"s

Melac de vader, op een zag ter toon. Raadgeevingen zyn geene verwyten ! Gaa, myn zoon, vergeet nooit dat de nigt van uwen vriend, van den weldoener uws vaders, voor u geheiligd moet 2yn. Herinner u , dat zy geene moeder heeft, die voor haare veiligheid waakt. Denk, dat myn eer en de uwe hier de üeunzels van haare onfchuld en van haare goeden naam zyn moeten. Gaa u kleeden.

ZES-

Sluiten