Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i34 GEDICHTEN en LIEDJENS

Toen, toen moest de landman vlugten,

Met zijn talrijk huisgezin; Zijne kleene hut verlaten,

Zo veel jaar door hem bewoond; Zuchtend en met fchreiende oogen,

Ziet hij zijn verdronken land; Nogmaals zien zijn vrouw en kindren

Om, naar hun beminde hut; AH' de vruchten van zijn zwoegen ,

Daar zijn hoop was op gebouwd, Liggen in den vloed begraven,

Die op zijne velden golft: Vlugtend keert hij nu zijne oogen,

Beurtlings huis- en hemel-waards: „ god! gij zult mij recht verfchaffen!"

(Zegt hij) „dit is al mijn troost:" De Eeuwige verhoort zijn zuchten —

Dwingland fidder! god verfchijnt; De Almagt wenkt; de heele fchepping

Merkt, gehoorzaam deezen wenk; 'T heir des hemels, lucht en wolken,

Sluiten