Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2o VERMANDELING over

Staaten van Zeeland geeven, in zekere Deductie van 22 Juny des jaars 1654 («), den naam van Hoofden onder anderen aan Prinfe Willem den I, en zyne Nakomelingen, de Stadhouders van Holland, als zy (bl. 138) aanmerken, „ dat de Nederlanden, in 't generaal „ ofte in 't byzonder, noyt en zyn in ruste of „ vrede te conferveren, fonder tot het beleydt „ der gemeene faacken te gebruycken Hoof„ den endc Heeren van qualiteit." De Staaten van Holland maaken dezelfde aanmerking, in de Refolutie op het Erfiladhouderfchap van den 16 November 1747, zeggende: „ dat de „ Republyk onmogelykkan beftaanen behou„ den blyven, zonder te wezen voorzien van „ een eminent Hoofd." De Heeren Gecommitteerde Raaden fpreeken in eene Misfive aan haare Ed. Gr. Mog. van den 4 Offlober 1757, van eene gevreesde collifte of twist, tusfchen het eminent Hoofd, en een voornaam Lid van haare Ed. Gr. Mog. Vergadering. Doch, gelyk de Staaten van Zeeland, in 't jaar 1654, door Hoofden geene Souverainen verllonden: 't welk duidelyk blykt, om dat zy fpreeken van dezelven tot het beleid der gemeene zaaken te gebruiken: en om dat zy, in dezelfde Dedu&ie ( bl. 141.), zeggen: „ dat, federt „ de abjuratie [ afzweering ] des Konings van „ Spanje allePrincelycke authoriteit is gecon„ folideerd [ofvereenigd] geworden met de „ magt [niet van de eminente Hoofden, maar~] „ van de Staaten;" zo verdaan ook de Staaten

(») Te vinden in de Refol. van Confid. ten tyde yas os witt bl. ijs enz.

Sluiten