Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BLIJDSCHAP

VAN

A L L U C I U S,

VORST DER CELTIBERIJËRS;

Toen hij zijne Bruid Aleida, uit de hand van Scipio, overwin' naar van nieuw Carthago, ontving.

Laat u mijn dankbaar hart zijn blijde crkentnis tuigen,

Verwinnaar! voor wiens arm de ganfche waereld beeft! Groot zijt gij, daar ge in 't eind Carthago's magt deed buigen;

Maar grooter daarge een maagd, uw' vijand,weder geeft! De wanhoop vong reeds aan mijn droeve ziel te fcheureu,

Ik dacht: zal zij, wier hart mij ecuwig is verpand; Zal die in 's dwinglauds magt, ftaêg mijn gemis betreuren?

Wie weet hoe zij door hoon , op 't wreedst wordt aangerand: Ligt wordt haar teedre hand gekneld in ijzren boeien!

Zij, d'eedle vrijë telg van Vorst Pfammeticus! Mijn Bruid in Qavernij! Goón! 'k voel mijn boezem gloeien.

Ik vlieg, dat ik mijn wraak in 't bloed diens fnooden blusch'.

X 5 Deez'

Sluiten