Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïa VERHANDELING $. 6.

Dat nu de Dichtkunde de afdeeling in regels door de verfificatie dadelijk bedoele , zal de ondervinding door de volgende aenmerkingen in het helderst dagligt Hellen.

i'. De meelten, zoo niet alle de vers-maten der Ouden nemen op het laetst een vast bepaelde plaetfing van voeten en fijllaben, een onveranderlijke volkómene beftemdheid aen; zoo heeft het Hexameter op het einde ftandvastig een Dactylus meteen Spondeus, daer de vier andere voeten of Spondeus of Dactylus wezen konden; het Elegiacum eindigt ftandvastig in twee Dactylen 'en ééne lange fijllabe; het Jambicum neemt in de evene voeten den Tribrachys aen, behalven in den hetften voet; waer uit wij vastftellen, dat men voor had, de ziel door de wederkerende vast beftemde Cadans te verwittigen, dat de versregel ten einde, dat de reden

afgedeeld was.

2°. Van alle tijden hcrwaerts fchijnt men de Dichtwerken in Versregels gefchreven te hebben, het welk benevens de gewoonte om ieder Vers met een groore Letter aentevangen, aenduidt, dat de afdeeling der reden een hoofdbedoeling der Dichtkunde is.

3«. Wanneer men onze bevallige Dichters naleest, zal men op zeer veeleplaetfen ontdekken, hoe zijwonder vermindering der aengename aendoeningen , door hunne zoetvloeiende Verzen in onze harten verwekt, in ftede van den zuiveren Jambus in de eerfte voeten

der

Sluiten