is toegevoegd aan uw favorieten.

Gods grootheid in de wonderbaare schoonheden der natuur. Heldendicht.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

436 GODS GROOTHEID in de

En moet mijn ziel alleen dan hebben zulk een wet, Van alles wat Natuur (w) aan de oogen open zet? Zou dan vernietiging voor haar ten erfdeel ftrekken? Geduchte God! in 't hart dat denkbeeld op te wekken, Veelmeer het denken zelfs, ontëert uw heiligheid; 't Verkleint uw' roem, enookmijnzz/'ra, door onbefcheid.

o Ja!

blijven altijd aardsch : de deefen der bergftoffen blijven altijd koper of ijzeiachtig enz. Z>e de Gejchiedenisjen van de hooge Scliosl der Weetenfchappen des jaars 1734 bladz 55 en vervolgens; bij gelegenheid van eene allerkrachtigfte onderneeming die de vermaarde Boerhaven deed op de Kwik , en waaruit het te vooren gezegde klaar blijkt. Eindelijk om nog een eenvoudiger bewijs aan te haaien, waarvan de bevindingen der Natuurkundigen dagelijks getuigen zijn : het hout, dat door het vuur verbrand wordt, is niet geheel vernietigd: Zijn gedaante vergaat, maar bet innerlijk wezen blijft: want zijne luchtdeelen gaan in rook, de olieachtige in roet, en de aardfche in asfehe.

(w) Fan alles wat Natuur] Niet alleen kan een famengefteld lichaam niet geheel vernietigd worden, maar ook de allerfijnfte ftraal, kan zulks natuurkundiger wijze niet ondergaan: wanthoedat men het doorzichtglas (of Prisma") ook draait, zoo blijft, de ontvangen ftraal altijd zijne eigene verw behouden; rood zijnde voorgekoomen , blijft hij altoos rood, indien blaauw of groen blijft hij altoos blaauw of groen: De onmoogelijkheid van een faamgefteld of hoofdftoffelijk lichaam te vernietigen, zoo lang als deszelfs aart duurt, koomt mij voor, een fterk bewijs te zijn, ten voordeele van de onfterflijkheid der ziele; waarvan God, de Schepper, eeuwigduurend zijnde, ook de ziel eeuwig aanweezend blijven moet: En, naardien ook God zich zeiven noemt de God van Abraham, Izaak en Jakob, is het een bewijs, dat de zielen nd den dood des lichaams leevendig overblijven, alzoo GodgeenGodder doodenmaar der leevenden is: volgens de betuiging, die de mond der waarheid zelf daarvan doet in het XXIIfte Hoofdftuk van Mattheus op het 32, Vers.