Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEDICHTEN. 19

Wat paauw fchept geen vermaak in de uitgefp reide veêren Der fchoon gekleurde Haart naar 't zonnelicht te keeren, Ten trots van't voglenheir, dat, fier op vlagt en ftem, In praal en majefteit niet haaien kan by hem? De wit gepluimde zwaan heft moedig 't hoofd naar boven, Als ftreelde haar de pracht, en bloei, en groei der hoven. Zy vangt de labberkoelte, op de effen waterbaan, In de opgeheven vlerk, en zeilt dus af en aan. Zou ze ons door losfen zwier en grootfche houding treffen, En nimmer, fpeelend, zich vervrolykt opwaart heffen? Hoe waakzaam leid het eentje, al dobbrend op den vliet, Het duikelende kroost met lust langs 't fcheutig riet! Hoe fmaakt het dorflig hert, vermoeid en afgeronnen Op dorre heide, teug op teug uit koele bronnen! Waar vind men't fchepflen heir van 's Hemels gunst misdeeld? Terwyl de nachtegaal de keurigfte ooren ftreelt, Getuigt de leeuwrik, die, klapwiekende opgeftegen, De lucht weergalmen doet, van 's Hoogften milden zegen, 't Gevederd zangchoor tjilpt, of kirt, of zingt, of fluit, En fpreid als waar' 't verrukt, de vlerkjes luchtig uit.

Cs .Be-

Sluiten