is toegevoegd aan uw favorieten.

Dichtlievende verlustigingen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G E D I H T E N. 113

Het vrolyk boomloof moog' den fTam tot fierfel ftrekken, Het botte ook uit om my met lommer te overdekken. Des zomers wies myn brood mede onder 't voedzaam graan. De rype herfsttyd zag 't geboomte niet belaên Met hartverkwikkend ooft, of liet zich niet verletten, Om ook daarvan een deel op mynen disch te zetten. Dus fchonk me elk jaarfaizoen wat bouw- of huisman weet Te kwecken op het land, door yver, zorg en zweet. De guure winter zelfs, heeft, met verkleumde handen, De vuurflof faamgeraapt om op myn' haard te branden. De Moed toog over zee, trots blikfem en orkaan, En bragt, mét lyfsgevaar, uitheemfchc vruchten aan, Wier liefelyk genot my menigmaal verkwikte. De welbedreven hand, die zich ten arbeid fchikte, Bevond zich ook voor my in noeste bezigheid, Daar menig kunstftuk, door het oordeelryk beleid Der werktuigkunde, ook my ten nutte, wierd vervaardigd. By aller menfehen heil tot deelgenoot verwaardigd, Bezoekt my de ouderdom, maar 't geemlyk zielverdrietj Uit twistzucht voortgeteeld, bezocht myn wooning. niet.

P Myn