Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van '<f Euang. naar Marc, XVI: 15. 1^

vinden ; maar de opvoeding de omftandigheden, waar in' de mensch zich bevindt, zijne verkeering met andere, eene natuurlijke vrees voor fchande en ftraf kunnen te weeg brengen, dat veele boosheden in het hart verborgen blijven, en zig niet ?iaar buiten openbaaren. Hoewel de onbekeerde mensch eerlijk, zedig en Godsdieilftigzich uitwendig gedrage, zijne pligtsbetragtingen koomen niet uit eene hartelijke liefde tot God voort, noch zijn tot Gods eer ingericht; zijn hart is en blijft onrein. Hij is als een wit geplaasterd graf, waar bij Jefus hem vergelijkt, fchoon van buiten, maar van binnen vol .van onreinheid. Het is zeer mogelijk, dat: zommigc, die zig zedig en ingetogen naar buiten gedragen, veel fchuldiger zijn bij God, die het harte kent, dan openlijke booswigten. Wie weet of de misdadiger, die aan galg en rad zijn leven eindigt —. niet zeer zedig en ingetogen zou. geleefd hebben , wanneer hij eene andere opvoeding gehad had, of in andere omftandigheden geweest ware. En wie weet

of hij die nu eerlijk, zedig, Godsdienftig zig

vertoont, dien men houdt voor een braaf man en ccn goed burger, zijn leven niet opeen fchavot zou geeindigd hebben, indien hij eene andere opvoeding gehad had, en in andere omftandigheden geplaatst geweest ware. Ik hoop, dat niemand onzer zich aan grove en openlijke diefftallen zal hebben fchuldig gemaakt, maar God weet, waar toe wij zouden vervallen zijn, indien groote armoede, nijpende honger, de uiterfte ellende van een behoeftig huisgezin

ons

Sluiten