Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door DROOMEN. 107

Nu doe ik in der daad dat my de goden rieden .

lk kome fri fiche blom, aan u myn befte bieden. Jk wenfch ook heden zelfs , indien ik maar en kan, Te wezen uwen vriend, te werden uwen man.

IMaar eer ik vorder ga, zoo dient gy wel te weten» ijWie dat ik wezen mag, en waar ik ben gezeten: I Godin, ik ben een Vorft, ook van een machtig ryk, I Soo dat ik even zelfs u Vader niet en wyk. «Siet daar een fchoon juweel,geciertmetryke fteenen, «Wel duizend jaren oud, gelyk de Vaders meenen. 'i Het is wel eer geweeft een pand van zoete min, i Aan Tambos deftig Wyf die groote Koningin. Indien het u bevalt, gy kont het nu ontfangen, jpy kont het t'myner eer, om uwe leden hangen; .] En ik zal in der daad en op een vaften grond, E U trouwen dienaar zyn, tot aan myn leften ftond. Met dat de jonge Vorst het pand haar fcheen te geven, (Soo quam een dikke lucht ontrent, het hof ged. even, . Een lucht van enkel vier en felle donder fchoot, Soo dac 4e zoete flaap van alle menfchen vloot.

Q Siet

Sluiten