Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN RHODOPIS. m

Gaat nu een*, weeHfte pand,gaat nu eensvergelyken, Den ftaat by my verhaalt, met alle Koningryken; Voorwaar zoo gy u geeft maar eens ontluiken wilt, Gy zult met oogen zien wat 't een en 't ander fchftt. Maar, na dat ik verfta, men boort hier menfchen praten, Die 'op een diep geheim en teikens zich verlaten: Sy vinden (na men zeid) vermaak in haar verdriet, Om dat men hier en daar een zeldzaam fpookzel ziet: Of mids een heefche ftem, van onder op gedreven • Heeft uit een duifter hol een vreemd geluit gegeven; Of om een ander gril. Siet, als 'er iemand mind» Hoe ligt hy iet bedenkt, of hem ten bellen vind, Wat my hier in belangt, ik kan u teikens zeggen, Daar met een vaft befluit zyn gronden op te leggen s lk heb van deze ftof al vry een groot getal, Een fpeelt my voor den mond dat ik verhalen zal; Left op een zoeten dag als wy een deuntjen zongen, Zoo quam 'er op het boek een rappe vloo gefprongen; Maar ftraks belent het dier ontrent u teere borft, Om daar in volle luft te laven zynen dorft. Het koos u flinker zy, en wift alzoo te komen, Ter plaatze daar u hert zyn woonplaats heeft genomen; Daar zet het zi ch ter fpoor, en hecht zyn kleinen mond, Juift daar het in het vel de teerfte plaatze vond. Gy word het beeft gewaar en had 't fchier gegrepen ; Maar echter raakt 't wech eer dat het was genepen ; En mids gy zyn geflacht en al zyn makkers haat. Zoo zocht 't buiten u een ander toe verlaat, Het fprong my op den arm, en dat met raffe gangen, Ik zag hoè dat 't liep met grooten angfc bevangen : Het kroop my in de mou, tot daar myn ader lloeg, Daar ftond het weder ftil, het fcheen hem diep genoeg, Gy zaagt "t met vermaak hoe dat zyn teere pooten, Zich foegen tot het werk en op myn leden flootea, Hoe vinnig dat het beet, en hoe zyn kleine bek, My als een adder fcak, ea maakt een roode plek. . • . • Het » Dit flsat op het gene de Borduurwerker hier rt* verhult; roerende ïelteame Godlrrake, da«r v»n hy gewaagt.

Sluiten