Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 4 )

Om fcliielijk 'evlugtig oog rondsom ons he£n te (kan,

En daad'lijk weêr den weg van alle Vleesch te gaan)

Vrijmoedig onzen blik op 't wild toneel doen waaren

Van 't leven, en op 't fpel van ijder Mensch vrij ftaaren. —

Het is een woest tafreel! een doolhof, vreeslijk groot!

Maar niet geheel-e«-al van -grondig plan ontbloot- I'2-

Het is een wildernis, waar fchone bloemen bloeien,

Doch, wonderlijk verward, te midden't onkruid groeien:

Het is een fraaie tuin, maar wiens bekoorlijkheid

Door de verboden vrugt maar al te vaak! verleid/. — f-t

Koom ! — laat ons, als ter jagt, dit wijde Veld doorzoeken:.

Gaan wij de vlaktens af: laat ons de ruigfte hoeken i<?

Hoe fterk, hoe zwaar begroeid, uitfloten; en het fpoor

Zoo wel vervolgen, 't geen te dikwerf zig verloor,

(Daar 't laag en bij den grond door de allerdigtfte ftruiken

Zelfs tot in 't ingewand van de Aarde feheen te duiken)

Als op den fteilstcn berg tot in de wolken-lucht

Ons wild herzoeken gaan, 't geen door verheven vlagt, 2-4

Zoo duizelachtig hoog! zïg kon 't gezicht onttrekken.

Laat ons de paden, waar Natuur verkeert, ontdekken:

Dat Dwaasheid, ui de vlugt gefchoten, plots'lijk vair*;

Men breng', wen opgedaan, de Zeden boven all'

In 't leven aan ons op , wanneer ze uit 't leger fpringen. —

Laat ons, waar 't wezen moet, ons lagchen niet bedwki gen , 3<>

En, waar het wezen kan, vooral rondborstig zijn:

Maar, wraken wij,vol ernst,zelfs van den minden fchijn / tj^fceg**^

Van onrecht, misverlland, of dwaas'lijk wederzeggen,

Den weg, dien 't GOD behaagt Hier voor den Mensch te leggen.. J " 1

Wk zal nochtans van GOD, wiens throon de Hemel is, Of van den Mensch, die dwaalt in 's Aardrijks wildernis , Met grond van reden iets te zeggen zig vermeten, Dan 't geen hem moog'lijk is er daad'lijk van te weten ? —

Wat

Sluiten