Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C *7 )

Wijl de and're vol van zorg uit frisfe bloempjens 't zoet Des honigs zuigen zal, maar ook haar beste doet, En teder lettend waakt om 't bloempje niet te fchaden. — 'T vermaak, wel ingericht, door eer, door deugd beraden, Is 't grootfte goed op aard: maar, afgeleid door raad Van ondeugd en van fchande, ons allergrootftc kwaad.

'T ftaat vrij de Driften als de midd'len aan te merken

Die trouw aan EIGENLIEFDE in haren dienst fteeds werken. —

Het waare goed , of 't geen de zwakke Mensch, door fchijn

Misleid, te vaak vertrouwt het waare goed te zijn,

Brengt ze allen op de baan: doet ze alle 't zaam bewegen.

Maar, wijl 't onmoog'lijk is elk goed naar allerwegen

Te deelen met elk een; en REDE ons duid'lijk zegt,

Dat zorgen voor zig zelf aan elk is opgelegd,

Kan elke Drift, hoe zeer door eigenbaat aan 't blaken,

[Zo 't werktuig zuiver is waardoor zij 't doel wil raken]

Zig voegen bij de vaen van REDE, en zelfs haar fchut

Verwagten , en haar raad gebruiken tot ons nut. —

Maar: is een Drift zoo verr' het zelfbelang te boven,

Dat ze om een ed'ler eind het eigen nut kan doven ,

Zo adelt zij haar ftam, die hoog verheven Hijgt,

En d'Eernaam van een Deugd, die zij bereikt heeft, krijgt.

Laat Zeno's trotfche fchool, met ingebeeld vertrouwen, In luijë lijd'loosheid (O de Deugd gevest befchouwenï Zij ligd daar als in 't ijs bevrofen, dat gantsch ftijf Verlomend zamen haalt de deelen van het lijf, Wijl warmte en levensgeest vereend naar 't harte trekken. — In oeff'ning, niet in rust, laat zig de kracht ontdekken

Der

(O Apathie,

D 2

Sluiten